Opgedragen aan Leen Knoester (†), een aimabele jeugdvriend deel 3

Tussentijdse dienstplicht

Op onze terugvaart konden wij gelukkig tegelijkertijd overleggen hoe we de aanstaande oversteek met de minste risico’s konden aanpakken. Eén van de twee anderen, in dit geval Leen als mede-eigenaar en als financieel medebelanghebbende, zou tijdens de tweede overtocht het stuurwiel in handen krijgen.
Fred die nogal tegendraads was zal wel bezwaar hebben aangetekend tegen onze beslissing maar twee om één was de uitkomst van het overleg en daarom basta! De tweede oversteek verliep niet veel anders dan de eerste; wat voor het tweede groepje passagiers een geheel nieuwe - niet ooit nog eens mee te maken - oversteek werd was voor ons een “Eens maar nooit meer”. Wij waren op de windvlagen voorbereid; Leen had als een volleerde stuurman het stuurwieltje - en met daarmee het roer - stevig in handen. Fred en ik stapten, al luchtigjes tegen elkaar pratend en grappen makend en vlotjes hiphoppend van bak- naar stuurboord al naar gelang de snoeiharde wind dit met zich meebracht. Wij veinsden als bij de eerste oversteek een opgewekt gemoed, angst en vrees domweg negerend; maar daar tegenover klopte het hart ons nog voortdurend in de keel. Ja, de vergoeding die Adje ons had toegezegd was best wel mooi, eens temeer omdat wij, zoals eerder aangegeven blut waren, maar als je door verdrinking eenmaal bent dood geraakt dan kunnen anderen van Adjes centen ons slechts ter wille zijn met ons te eren door bloemen op een ieders graf. De groep één, die uiteindelijk aan een verdrinkingdood was ontsnapt, had zichzelf hervonden en deed quasi blij overdreven bezorgd toen zij ons zagen naderen. Ook de passagiers van groep twee deden aan dit rollenspel mee door luidkeels naar de wachtenden te schreeuwen en te lachen, daarbij de schijn wekkend dat ze de hele overtocht als een Efteling-attractie hadden ervaren. Zowel zij als wij namen luchtig afscheid, zij omdat ze hun leven ongeschonden konden voortzetten en wij omdat we aan gene zijde van het meer mochten verwachten dat Adje met de geldbuidel klaar zou staan om ons - naar ons uitdrukkelijke genoegen - zou willen behoeden voor een financiële ondergang. Mijn gitaar zou de aanleiding worden voor een ander verzoek van Adjes zijde aan ons. Straks daarover meer.
Onze dienstplicht
Omdat het begrip ‘Dienstplicht’ een verschijnsel is uit de vorige eeuw, dat wil zeggen uit de eeuw waarin wij, naast onze vrije jeugd ook de voornoemde ‘burgerplicht’, mochten beleven en doorleven, daarover hier en nu een toelichting. In de jaren 1946 tot en met 1949 werden in totaal ongeveer 95.000 Nederlandse dienstplichtigen naar Indonesië gestuurd tijdens de politionele acties. Wat was hiervan de oorzaak? Voor de Tweede Wereldoorlog bezat Nederland een tweetal kolonies. Nederlands Oost Indië en West Indië. Deze gebieden werden eenzijdig in voorafgegane eeuwen door Nederland tot eigendom verklaard. Het verloop van de Tweede Wereldoorlog bracht grote veranderingen met zich mee. Zo ontstond meteen na de bevrijding een verschuiving binnen de macht van Nederlands Oost Indië. Een patriottische groepering tekende verzet aan tegen het vooroorlogse Nederlandse bewind. Een koloniale overheersing werd niet meer geaccepteerd; dit leidde tot een hevige strijd tussen Nederland als overheerser en de bewuste kolonie. Een dienstplicht in Nederland werd ‘haasje repje’ ingevoerd en het aantal militairen dat bovengenoemd is aangegeven moest voor Nederland zijn ‘eigendom’ terughalen. Dit lukte niet en Indonesië, zoals zijn inwoners hun land zouden gaan noemen behaalde in 1950 zijn onafhankelijkheid. Alle Nederlandse militairen kwamen terug. Intussen was in de wereld een oorlogsdreiging ontstaan waarin West Europa samen met Noord Amerika kwamen te staan tegenover de Sovjet Unie zoals Rusland werd genoemd. Die oorlogsdreiging bracht met zich mee dat na het echec van Nederlands Indië de dienstplicht werd aangehouden. Zowel Leen als Fred en ik moesten ons onderwerpen aan die dienstplicht die van anderhalf - tot twee jaar kon uitlopen. Leen kwam op voor de dienstplicht in 1952, ik in 1953 en Fred in 1954. In het eerste stadium van zijn indiensttreding werd men aangeduid als een ‘filler’, een begrip dat aangaf dat men niets was, iets dat iemand werd ingehamerd door zijn hoger geplaatsten. Dit waren instructeurs die beroepsmilitairen waren en snoeihard op iemand inpraatten, lees ‘schreeuwden’. De eerste zes weken mocht men niet naar huis en bleef men verplicht in de kazerne. Wanneer iemand voor het eerst naar huis mocht was dat verplicht in uniform dat alle twee á drie verlofdagen moest worden gedragen wanneer men het huis verliet. Men liep voor joker want de ‘filler’ droeg een baret die abnormaal groot was. Er mocht geen ‘batch’ - voor zover men die al had - op de baret worden gedragen. Deze gaf het onderdeel aan waarbij men was ingedeeld.
Het leeg gegooide kastje
Zo’n ‘batch’ op de baret gaf nog enige allure en status aan iemands outfit maar dat werd iemand niet gegund evenmin als zijn battledress open dragen waardoor het overhemd en de stropdas zichtbaar werd. Nee, de battledress moest tot het bovenste knoopje dicht, wat iemands lulligheid nog eens extra benadrukte wanneer daarboven het witte magere kopje van de ‘filler’ uitstak. Tel daarbij de bruine ’kistjes’, de hoge schoenen onder de volgens de regels te dragen ‘putties’, waarin zowel de schoenen als de voeten bijna verdwenen. Na het eerste verlof en de kunst van het scherpschieten, zijn geweer uit elkaar halen, het schoonmaken ervan en het vervolgens weer in elkaar zetten, het ‘speedmars’ lopen, het kastje naast zijn bed exact volgens de regels indelen, de dekens als een fraai blok vouwen en aan het voeteneind van zijn bed tentoonstellen, waarbij de controlerende sergeant zelfs een rolmaatje gebruikte om de omvang van de zojuist gewrochte kubus in juistheid te kunnen beschouwen en tot het, uit het hoofd, kunnen citeren van het eerste artikel van de ‘Krijgswet’, waarvoor men ’s nachts kon worden gewekt door een meerdere die kennelijk daarvoor zijn nachtrust wenste op te offeren. Hetzelfde gold voor het in dezelfde situatie vragen naar het nummer van iemands geweer. Een wat rommelig, naast iemands bed staand, kastje werd leeggehaald terwijl deze iemand buiten met alle anderen van de compagnie stond aangetreden. Het argument was bij beter doordenken ongetwijfeld steekhoudend want, wanneer in tijd van oorlog de verlichting was uitgevallen moest de militair de voor de situatie noodzakelijke dingen blindelings en op de tast kunnen vinden en kunnen toevoegen aan de benodigde zaken voor een ontstane situatie. In 1997 werd de opkomstplicht officieel afgeschaft. Terug nu naar naar Adje die ons een tweede keer verzocht om hem een dienst te bewijzen. Tegen betaling uiteraard en wel om in leven te blijven. Geld bleek even vloeibaar als het water van de Brasemer Meer. Het ging met Adje over de gitaar en over onze zang.
Zingen en spelen met Piet Martens
Ik ging voor gitaarles naar de man die een schoolliefde les had gegeven. Piet Martens was zijn naam en de liefde voor zijn gitaar liep ongeveer in de pas met zijn liefde voor zijn echtgenote die Dien heette. De lessen vonden plaats in Piet en Diens huiskamer daar hun kind in de andere kamer sliep. Mijn vaardigheid in het gitaarspel steeg zodanig dat ik het aandurfde om samen met Fred die een goede zangstem had, in het openbaar te gaan optreden. Het ging om een feest van de personeelsvereniging van een Stichting waarmee ik bekend was. Wij hadden van iemand met een tropenachtergrond twee witte kostuumjasjes mogen lenen, we droegen daarbij een donkerblauwe (of zwarte? pantalon en een zwart strikje. Wij schminkten ons zelfs en voilà, een eerste optreden was daar en wij waren trots als pauwen en de feestavond kon wat dat betreft niet meer stuk. Mijn leraar Piet Martens had eerder ook al gezongen en gespeeld in een wat men destijds aanduidde als een ‘vocal group’. Hij kwam daarom op het idee om met mij als duo te gaan optreden. Of wij dat inderdaad samen nog hebben gedaan weet ik niet meer. Maar gezien mijn vriendschap met Leen en Fred denk ik dat ik Piet Martens heb voorgesteld om een ‘vocal quartet’ te vormen. Fred en Leen vonden dat een uitstekend nieuw avontuur naast dat van de boot die nog steeds in Leens en mijn bezit was en in het Kanaal bij de Haringkade daar in ruste lag. Een extra bijdrage werd gevormd door een muzikale best wel leuke toevoeging van Fred die naast het zingen ook een bijdrage kon leveren met het spelen op een mondharmonica. Hij had weliswaar niet het niveau van Toots Thielemans maar voor ons en voor die jaren was het kwalitatief in onze ogen meer dan voldoende. Omdat Leen geen instrument bespeelde maar toch wel als aanvulling op zijn stem iets instrumenteels moest kunnen laten zien kreeg een tamboerijn en een tweetal zogeheten sambaballen toebedeeld. Enige tijd later, toen ik in het bezit was gekomen van een Jewish-harp of mond-harp vulde dit oeroude mondinstrumentje Leens instrumentale bijdragen aan tot honderd procent. Allicht moesten wij een naam verzinnen voor onze vocal group. Na veel gelach en ge-brainstorm kwamen wij uit op The Jolly Hotsch-Potch dat vrij vertaald De Muzikale Hutspot betekende. Het werd een heerlijke tijd,; Fred en ik gingen Engelstalige songs omzetten in een Nederlandse tekt. Leen was toen in militaire dienst maar omdat dit altijd om weekends ging bleven het repeteren en het optreden een haalbare zaak. In die periode werd een liedje, gezongen door een jong meisje, Heleentje van Kapelle geheten, heel populair en toen we tijdens onze repetitie dit liedje zongen en Fred bleek te beschikken over een sopraanstemmetje á la Heleentje was het succes geboren. Toen hij daarbij ook nog een pruikje á la Heleentje ging opzetten, kon het liedje niet meer stuk. Het: Af en toe gaan pa en moe met ons naar de speeltuin toe kreeg voor ons een meerwaarde. Toen wij het liedje Vuurwerk hadden geschreven en dit ten gehore brachten werd ook dit een klapper. Dat wilde overigens niet zeggen dat wij een landelijk optredend kwartet waren, maar okee, het was voor ons toch steeds weer dikke pret. En na het optreden hadden we naast het honorarium ook nog vrij drinken. Onze favoriete drank was gin-tonic, een mix die wij bij Adje Zegers aan de Brasem hadden leren waarderen te drinken.
Blunder na eerder succes
Dit brengt ons terug bij het tweede verzoek van Adje, iets waarover al eerder is geschreven. Omdat wij - en voor de duidelijkheid zij gezegd en geschreven zonder Piet Martens - dagelijks op onze boot aan het zingen waren en er altijd luisteraar waren vroeg Adje aan ons of wij in de komende dagen ’s avonds de sfeer in het restaurant wat wilden opvrolijken door wat optredens tussendoor. En dat hoefde niet voor niets en we hadden verder een vrij gebruik van de producties die door de barman werden aangedragen, gin-cola dus. En jawel, de optredens verliepen geheel naar onze zin en het kopen van eten kwam weer in het zicht. Tot het op een keertje goed fout ging. Wij waren aan het eind van ons optreden toen een van de aanwezigen die vroeg of wij een verzoeknummer wilden ten gehore brengen. En wij, in onze overmoed, zeiden, ja hoor… Het verzoek van de man bleek betrekking te hebben op een lied van de destijds zeer populaire Amerikaanse zangeres Jo Stafford. De song was getiteld Allentown Jail en de ellende werd daar zichtbaar. Hadden we nou maar gewoon gezegd dat wij dit helaas niet in ons repertoire hadden. Ik kende zelfs de grepen van het liedje niet zoals die voor instrumenten - waaronder de gitaar – was uitgebracht. Geen van ons drieën kende bovendien de tekst zelve dus wij mummelden maar wat in de orde van: Some time in Allentown Jail, some-one in Allentown Jail, la la la in Allentown Jail. Omdat mijn gitaar steeds een verkeerde en andere weg insloeg dan de zangers, werd de vertoning héél, héél erg, erg… Of wij nog in diezelfde nacht zijn vertrokken is zeer goed denkbaar.ee, dan was het bij de familie Knoester andere soep. Er waren nogal eens feestjes binnen de verschillende Knoestertjs en bij de diverse Van der Zwannetjes. Omdat de families Knoester in hun eigen kring een zanger hadden (want zo mocht men Leen toch wel bestempelen) was het niet meer dan logisch dat een optreden van het gelegenheids-trio, te weten de vrienden van Leen, Piet en Fred, en hun eigen zoon dan wel broer, neef en achterneef Leen verwacht mocht worden. Natuurlijk kenden zij intussen ons repertoire maar dat kon niet stuk bij de familie. Het hoogtepunt van de avond was natuurlijk Fred als Heleentje van Kapelle. Intussen was naar ik meen de outfit van Fred naast het haarstukje intussen uitgebreid met een rokje, dan wel een jurkje. Dit bracht Fred tot de mogelijkheid, quasi verlegen aan zijn jurkje of aan zijn rokje te friemelen. Omdat bij dat gefriemel het kledingstukje - welke van de twee bij die gelegenheid ook moge gedragen zijn - soms wat pikant omhoog trok waarbij een stukje meer been zichtbaar werd dan gebruikelijk, kon de avond die toch al zeer vrolijk was. Ook ons vaste ten gehore gebrachte lied over het vuurwerk op het Scheveningse strand met als refrein: “Jongens kijk eens dat’s een mooie, allemensen wat een knal, hier een groene, daar een rooie, sterren stralen overal. Ik sta te trillen op m’n benen en ’s avonds in mijn bed, kan ‘k de hele nacht niet slapen, dat ’s van de vuurwerkpret!” De alcohol droeg het hare aan om de feestvreugde te verhogen.
Jan Snoep in de problemen
Bij Leens verloving met Janny waren ook de collega’s Ton van der Broek en Jan Snoep, waarmee Leen samenwerkte, aanwezig. Dat heeft nog zijn nasleep in gehad maar wel in een vrolijke zin. Jan Snoep, in algemene zin een wat bescheiden man, gehuwd en de vader van drie kinderen, had zich laten verleiden tot meer alcohol dan hij gewend was. Mijn toen nog verloofde Coby, Jan Snoep en ik gingen samen te voet naar huis. Ondanks het feit dat Jan veel later naar zijn huis vertrok dan aan zijn vrouw Nel beloofd bleef de vrolijke stemming bij Jan aanwezig en de hoed die hij die avond droeg, werd voor elke passant keurig afgenomen tot en met voor de juwelier die naast de brillenzaak van Leens oom, Piet Schönhagen was gevestigd. Jan Snoep woonde achter de brillenzaak van Schönhagen en hij wist dat zijn vrouw Nel, na lang wachten uiteindelijk maar naar bed zou zijn gegaan en ongetwijfeld al zou slapen. Jan nam zich voor om héél stil de sleutel in het slot te steken en héél voorzichtig binnen te komen zodat hij Nel, die een ‘pittige tante’was, niet wakker zou maken. Heel voorzichtig kwam hij de winkel binnen en erna ook hun halletje. Uiteraard stak Jan bij dit alles geen licht aan. En dit werd hem fataal. Tijdens zijn toch al wankele - door alcohol nog meer versterkte - gang door het halletje liep hij tegen een kastje aan. Toevallig kwamen Coby en ik Jan en Nel, samen met de drie kinderen de volgende dag, een zondag, tegen. Hierbij liep Jan timide achter het wandelwagentje. Toen wij op de eerste dag van de nieuwe week elkaar weer troffen en Jan zijn verhaal aan Leen, Ton van der Broek en mij vertelde hebben we in een deuk gelegen.
Tot slot
Ik voelde het als een vriendendienst om dit wellicht minder bekende of geheel onbekende verhaal op schrift te stellen. Was ik eerder op de hoogte geweest van Leens overlijden dan zou ik wellicht hebben gevraagd om iets over Leen zoals ik hem heb gekend wat te mogen vertellen. Omdat dit niet zo is gegaan heb ik gekozen voor datgene waarin ik mij thuis voel: het vertellen via de tegenwoordige media die online kunnen worden ingezet om datgene weer te geven wat men op het hart heeft en graag aan anderen wil doorgeven. Vaak gaan levens na het meer volwassen worden van elkaar wijken; dat wordt door omstandigheden bepaald. Leen en ik troffen elkaar bij tijd en wijle zoals dat zo fraai wordt verwoord. Het bleef altijd vrolijk omdat het humeur van Leen vrolijkheid uitdroeg. En Leen is wellicht ooit uit het oog verdwenen maar nooit uit het hart verloren. Hij overleed in de nazomer van 2018. Leen Knoester, een kleurrijke, toffe, vent, een man uit duizend. Moge het bovenstaand verhaalde bijdragen aan de nagedachtenis van Leen. Moge hij rusten in vrede! Zijn jeugdvriend Piet Spaans
® Hans Knoester 2018 Auteur Piet Spaans
<< Vorige
...home Geplaatst op 27-11-2018 en 431 keer gelezen Like dit 76 Liked