De vlook van een eiland aan de kust.

Tot eind 1970 bestond er aan de kust een woonwijkje dat in de volksmond, "Het eiland vloek," werd genoemd. Het was omringd door de zee, haven, sluizen en de duinen. Een geweldige plek voor kinderen om op te groeien. Het was een wijkje waar veel grote gezinnen in veel te kleine huizen waren gehuisvest. De meeste hadden moeite om het hoofd boven water te houden. Velen werkten op de sleepheling of voeren op één van de velen visserschepen die Nederland nog rijk was. Sommige hadden van tijd tot tijd geen geld om hun vaste lasten te betalen en werden zo nu en dan afgesloten van gas of elektriciteit. Zo nu en dan ontstond er ook wel eens een burenruzie. De saamhorigheid was groot. Toch moest dit wijkje eind jaren 60 wijken voor het grote geld. De grond werd voor en symbolisch bedrag van 1 gulden verkocht of verpacht. Er werd een derde haven gebouwd om het grote geld binnen te halen. Veel kinderen hebben daar hun jeugd met plezier doorgebracht en zagen hun plekje als een verzonken wijk onderwater verdwijnen. Ook Sofie heeft er gewoond. Dit verhaal is op waarheid gebaseerd.

Het witte kistje.

De zon scheen volop, zelfs in de schaduw was geen verkoeling te vinden. Sofie hinkelde over de door haar gemaakte hinkelbaan. 'Dat is één, dat is twee, dat is drie, dat is vier, mijn mama krijgt een baby. Ik krijg een broertje of zusje', riep ze vrolijk. De buurvrouw die haar wilde passeren sprong nog net op tijd opzij, anders had ze haar omver gelopen. 'Lieve schat, pas toch op, straks val je nog op je knietjes.' Nee hoor buurvrouw, ik zal niet vallen. Onze baby wordt geboren, ik kan zijn gehuil al bijna horen,' riep ze uit volle borst. De buurvrouw schudde met haar hoofd, gaf haar een aai over der bolletje en wandelde glimlachend verder. U komt toch wel naar mijn broertje of zusje kijken hè,' riep ze haar al hinkelend na. 'Natuurlijk lieve meid. Dat wil ik voor geen goud missen.' 'Kost niets hoor buurvrouw. Ik zal dan wel een lekker bakje koffie voor u zetten en u krijgt er ook een beschuit met muisjes bij,' en vrolijk hinkelde ze verder. Één van de buurjongens kwam op haar af en vroeg of ze ook mee wilde naar de keien. 'We zijn met zijn allen een hut aan het bouwen. Doe je mee?' 'Nee joh, ik moet hier blijven van tante Lien. De ooievaar komt mijn broertje of een zusje brengen.' 'Nou dan zal ik maar goed opletten als ik jou was. Je kan hem het beste vanuit het je slaapkamerraam zien aankomen vliegen. Voor je het weet mis je hem', grinnikte hij. 'Ik de ooievaar misse. Nee joh, ik let heel goed op,' en turend naar boven zocht ze de hemel af. 'Lieverd, kom je naar je zusje kijken,' wuifde tante Lien in de deuropening. Sofie sprong op, struikelend over haar eigen voeten, kroop overeind en rende naar binnen. Daar lag een klein rozig kindje in de armen van haar moeder. 'Mag ik haar aanraken mam? Oh, wat ziet ze er lief uit. Kijk nou, ze doet haar oogjes open. Nu heb ik eindelijk een zusje na al die broertjes. Kan ik haar later een hinkelbaan leren krijten,' en heel voorzichtig gaf ze haar zusje een kusje op het voorhoofdje. Nu moet mama rusten Sofie. Straks mag je weer naar je zusje komen kijken,' zei de wijkzuster. Ze kende de wijkzuster erg goed. De vorige keren, toen haar broertjes werden geboren was ze er ook geweest, maar vandaag was het toch anders geweest dan de vorige keren. Natuurlijk, het is anders,' dacht ze. Ik het er immers nu een zusje bij. De wijkzuster loosde haar met vriendelijke woorden de slaapkamer uit. Vluchtig keek ze naar haar kleine zusje en slofte in gedachten naar de woonkamer. Ze was blij, maar om de één of andere reden voelde het niet goed. Het was toch anders dan de vorige keren en het gaf haar een gevoel van onbehagen. In de huiskamer ging ze op de stoel zitten die naast de TV stond. Trok haar beentjes op en liet haar gedachten de vrije loop. Straks zouden haar broertjes weer komen. Ze waren voorlopig ondergebracht bij buren omdat de familie zelden, nee eigelijk kwamen ze nooit. Waarom was haar nooit duidelijk geworden. "Zeg Sofie, wordt eens wakker. Je moet naar school. Kind heb je hier de hele nacht op die stoel liggen slapen', vroeg Tante Lien die eigenlijk niet echt een tante was, maar ze mocht haar zo noemen. Ze wreef vluchtig haar ogen uit, maar ze moest toch eerst even haar gezicht wassen voor ze naar school ging. 'Ga maar snel naar school, anders kom je nog te laat,' zei Tante Lien.' 'Kan ik Suus nog even gedag zeggen. Alsjeblieft Tante Lien, mag ik nog even.' Tante Lien kon haar vragende ogen niet weigeren en heel eventjes mocht ze in het oude en versleten wiegje gluren. Haar zusje lag op haar rug en een moment keek ze Sofie met een wijze blik aan. 'Wat lief hè mamma,' maar die wendde haar hoofd af. Ze keek haar moeder vragend aan en zag plots tranen over haar gezicht glijden. 'Huil je mama. Niet huilen hoor. We hebben er toch een zusje bij. Ik ben zo blij met haar.' 'Ga maar snel naar school. Straks mis jij je de les nog. Ik zou niet willen dat mijn Sofie een dom meisje wordt', en snel wreef ze haar tranen weg. Ze keek haar moeder argwanend aan. Haar kleine hersentjes draaiden op volle toeren. Het was een vreemde gewaarwording dat haar moeder vond dat ze naar school moest. Terwijl ze haar altijd thuis hield omdat ze haar nodig had bij de verzorging van de andere kinderen. Niet begrijpend keek ze haar aan. In haar moeders blik kon ze niets uit opmaken. 'Het is toch veel te zwaar voor je mam,' stamelde ze. Vertwijfeld haalde ze haar schoudertjes op, gaf haar moeder en kus en huppelde snel naar school. Tante Lien en haar moeder keken elkaar begrijpend aan en wisten niet hoe ze dat Sofie moesten vertellen. Als de situatie met kleine Suus niet zou veranderen, zag het er somber voor de kleine uit. Blij huppelde Sofie het schoolplein op en vertelde aan iedereen die het maar wilde horen dat ze er een zusje had bij gekregen. 'Haar naam is Suusje,' zei ze tegen een klasgenootje. 'Oh ja joh, nou mijn moeder zegt dat ze jou moeder onvruchtbaar moeten maken. Jullie ouders lijken wel konijnen,' riep ze. Dreigend ging ze voor Sofie staan en schudde haar flink door elkaar. Trok aan haar blauwe blouse waar de knopen al snel vanaf sprongen. Verschikt keek Sofie naar de blouse die ze kort geleden van tante Lien had gekregen. Het was dan wel geen nieuwe, maar ze was er zo blij mee. En iedereen vond dat de kleur haar zogoed stond. Nu waren meer dan de helft van haar knopen verdwenen en zaten er kleine scheurtjes in. Er verzamelde zich meer kinderen rondom haar en al duwend en trekkend zette ze haar klem in een hoek. 'Zo wat heb je nu weer voor een stomme kleding aan,' krijste één van de meisjes. Weer trokken ze aan haar kleding en spuugde haar in het gezicht. Plots kwam Bram opdagen en wrong zich tussen de kinderen door. 'Laat haar met rust. Moet dat nou. Ze doet jullie toch geen kwaad. Sodemieter op.' De meeste dropen af, maar één van de meiden was niet van plan om zich door Bram opzij te laten zetten. 'Je moeder is een vuile hoer,' schreeuwde ze. Sofie was niet zo snel boos, maar nu kon ze zich niet meer beheersen. Het meisje was al eens eerder zo tegen haar te keer gegaan en was huilend naar huis gerend. Haar moeder had haar toen verteld hoe de vader van het meisje aan zijn eind was gekomen. Blind van woede en zonder er verder bij na te denken schreeuwde ze haar toe. 'Oh ja, nou mijn vader heeft zich in ieder geval niet aan de trapleuning opgehangen!' Verschrikt keken ze Sofie aan. Ook Sofie schrok van haar eigen reactie. Normaal gesproken liet ze alles gelaten over zich heen gaan, maar deze keer was het haar toch te veel geworden. Angstig keek ze om zich heen en het liefst zou ze van de aardbodem willen verdwijnen. De meester kwam met grote stappen op haar af en gaf haar een flinke draai om haar oren. Hij liet haar in het fietsenhok in de hoek staan en vond dat ze daar voor de rest van de dag wel kon blijven staan. Even later zag ze Bram binnenkomen. 'Waarom moet jij hier zijn,' vroeg ze. Ze was blij dat ze even niet alleen was en een vertrouwd gezicht zag. 'Die rot griet bleef maar door janken, nou janken, het leek wel een viswijs, antwoordde Bram.' Er verscheen een lichte glimlach op haar gezicht, maar voor ze iets kon zeggen, vroeg Bram. 'Sta je me nou uit te lachen. Nou mooi hoor. Kom ik speciaal even naar je kijken, ga jij me staan uit……, maar verder kwam hij niet. 'Joh, haar vader liep altijd met vis. Het is een over het paard getilde rotmeid. Ik kon er echt niets aan doen hoor Bram. Ik flapte het eruit zonder erbij na te denken.' 'Welnee joh, als ik het had geweten, had ik net zo gereageerd, moet ze maar eens leren haar grote mond te houden.' 'Wie zegt dat jullie met elkaar mogen praten,' schreeuwde één van de leerkrachten. 'Bram, bemoei jij je niet met haar,' en de juf stuurde hem naar de klas. Ze jonge dame, nu ga jij me eens de waarheid vertellen waarom je de afgelopen tijd niet op school bent geweest. Ruw pakte ze haar bij haar oor en trok haar mee de klas in. Ook daar werd ze weer in de hoek gezet. De kinderen keken haar na. En sommige staken zelfs grinnikend hun tong naar haar uit. Toen ze na een uur in de schoolbank plaats mocht nemen, nam ze opgelucht haar taalboek uit haar versleten tas. 'Zo Sofie, kom jij eens voor de klas staan en vertel ons eens waar je al die dagen hebt uitgehangen. Jij denkt toch zeker niet dat je zomaar van me af bent,' schreeuwde de juf haar toe. Ze zag dat iedereen naar haar keek en weer voelde ze zich angstig en verlaten. Met knikkende knieën stapte uit de bank en staarde voor zich uit. De hoge ramen die op haar afkwamen, het geroezemoes van de kinderen en de blik van de juffrouw, leek de klas leek eindeloos groot. Af en toe durfde ze een blik in de klas te werpen. De oude schoolbanken leken enorme blokkenhout. Haar blik viel op een paar leerlingen. Sommigen gniffelden, maar een enkeling keek verschikt naar wat er gaande was. De juf kwam naast haar staan en bleef de vraag maar herhalen. 'Nou zeg op!' Met een brok in haar keel fluisterde Sofie. 'Ik moest mijn mama helpen. Ik heb er een zusje bij,' maar daar wilde de juf niet naar luisteren. Telkens weer bleef ze de vraag monotoon herhalen. En elke keer vertelde Sofie dat ze haar moeder had moeten helpen. Ze nam Sofie bij haar haren en sleepte haar door de klas. 'Je moet niet tegen mij liegen. Waar heb jij al die dagen uitgehangen', riep ze vennijdig. 'Echt waar juf, ik moest mijn mama helpen. Ze ligt opbed en mijn broertjes zijn nog zo klein. En er is niemand die ons kan helpen.' Nu werd de juf wel heel erg boos. Ze sloeg haar hard in het angstige en bleke gezichtje dat al snel een rode plek vertoonde. 'En nu spreek je de waarheid, anders...' Ze loog niet, maar kennelijk wilde de juf iets anders van haar horen dan de waarheid. Ze kon de vernedering en de pijn niet langer verdragen en verslagen zei ze zacht. 'Ik heb gespijbeld en ben bij mijn oma geweest.' Het werd doodstil in de klas. De juf keek haar triomfantelijk aan. En Sofie kreeg het gevoel alsof ze in haar hoofdje kon kijken en zien wat er in haar gedachten omging. Bram, die enkele schoolbanken van haar vandaan zat, kookte van woede. Net als de meeste kinderen, durfde hij zich bijna niet te verroeren. Eindelijk ging de bel. Het was kwart voor twaalf, de middagpauze was begonnen en mochten ze naar huis. Bram kwam naast haar lopen en legde een arm rond haar schouder. 'Heeft ze je erg veel pijn gedaan', fluisterde hij? 'Gaat wel, maar ik heb echt niet gelogen hoor. Ik moest echt mijn moeder helpen. Ik vind dat niet eerlijk. Ze gelooft me alleen als ik lieg, dat kan toch niet. Je mag helemaal niet liegen.' 'Ik ben overmorgen jarig. Wil je op mijn verjaardag komen,' vroeg Bram. Verbaasd keek ze hem aan. Ze kon niet geloven dat hij haar uitnodigde om op zijn verjaardagspartijtje te komen. Wat haar nog meer verbaasde was de datum waarop hij jarig was, zij was overmorgen immers ook jarig. 'Erg lief van Je Bram, maar overmorgen ben ik zelf ook jarig.' Verbaast keek hij haar aan. 'Maar dat is hartstikke leuk, dan kunnen we allemaal leuke dingen gaan doen op onze verjaardag.' Ze hoorde hem aan, maar wist best dat er niets van kon komen. Ze vermoedde dat ze de komende tijd voorlopig niet op school zou zijn. 'Ik zie je morgen weer, toch…. En overmorgen deel ik uit. Krijg jij extra snoep van mij. Deel jij ook uit?' Ze haalde haar schoudertjes op en zei dat ze dat nog niet wist. 'Misschien wel, maar ik moet nu snel gaan. Ik wil naar mijn zusje.' Als een jong veulen huppelde ze naar huis. Ze meed de straat en nam steevast de poorten. Dat voelde veiliger aan en zo had ze de minste kans om één van haar klasgenootjes tegen het lijf te lopen. Nu nog een paar kleine straten en dan was ze bij de sluis, nog even en ze was weer thuis. Tante Lien stond haar al op de wachten. 'Hallo Sofietje, zou jij een boodschap voor mij willen doen?' 'Natuurlijk tante Lien, maar ik wil eerst even naar Suus kijken.' 'Nee, lieve kind, ga eerst even een pak watten halen. Die hebben we hard nodig.' Sofie hield haar kleine handje op om het geld te ontvangen voor de boodschap. Tante Lien schudde zachtjes haar hoofd en zei dat ze het moest laten opschrijven. Zo klein als ze was begreep ze maar al te goed dat er weer geen geld was. Ze was eraan gewend geraakt dat zij erop uit werd gestuurd om aan de winkelier te vragen of hij de boodschap wilde opschrijven. De winkeljuf legde de watten voor haar op de toonbank en zei: 'Dat is dan 25 cent.' Sofie deed haar bekende verhaal. 'Mijn moeder vraagt of u het zou willen opschrijven, zodra ze weer uit bed mag komt zij u zelf betalen.' 'Nee, dat gaat niet meer jonge dame. Je moeder heeft al zoveel laten opschrijven. Ze moet eerst de andere rekeningen betalen. Ook wij moeten onze rekeningen betalen,' zei de winkelier. 'Maar het is voor mijn zusje Suus, alsjeblieft,' maar de vrouw hield voet bij stuk en legde de watten weer terug op zijn plaats. 'Nou u hebt groot gelijk. Iedereen moet zijn boodschappen betalen,' zei een grote blonde vrouw achter haar. Sofie schaamde zich en haar hoofdje tolde. Tientallen vragen kwamen in haar op. Hoe moesten ze aan het geld komen. Waar zou ze nu heen moeten om aan geld te komen voor de boodschappen. Met gebogen hoofd liep ze de winkel uit. 'Jonge dame,' riep een man die haar achterna was gelopen. Ze draaide zich om en zag een man in een witte schildersjas met een pak watten in zijn handen. 'Hier, deze is voor jou. Die hoef je niet te betalen. Gratis en voor niets. Geef maar gauw aan je mama voor je zusje. Je bent wel heel erg trots op haar hè? Je glundert helemaal, als je het over je zusje hebt. Ga maar gauw, nee je hoeft mij niet te bedanken. Ga maar naar huis, je zusje wacht op je.' Ze bedankte de man vriendelijk en snel rende ze terug naar huis. Stel je voor dat de man zich bedacht en de pak watten terug wilde. Ze vertelde tante Lien over de man die haar had geholpen, maar zij had geen tijd voor haar. Sofie liep naar de rand van de wieg en zag dat Suus erg bleek was. Ze hadden haar onder een stel dikke dekens gelegd en onder het voeteneinde hadden ze stevige blokken gezet zodat het bedje schuin kwam te liggen. Ze begreep er niets van. Toen haar broertjes werden geboren was dit haar nooit opgevallen en die waren altijd mooi roze geweest. 'Mag ik er even bij,' vroeg tante Lien en duwde haar met zachte dwang opzij. 'Ik moet nu echt de dokter bellen,' hoorde Sofie haar nog net zeggen voordat ze naar de huiskamer werd gestuurd. 'Tante Lien, is Suusje ziek?' Tante Lien keek haar verschikt aan en aaide haar over haar blonde haren. 'Ja lief kind, Suus is ziek, maar ze wordt vast wel weer beter. Ga maar lekker buiten spelen,' maar daar had ze helemaal geen zin in. 'Ze gaat toch niet dood hè tante, nee toch?' 'Dat weet ik niet lieverd. Ga nou maar,' en ze verdween weer in het kamertje. Sofie begreep er niets van, ging op de bank zitten en luisterde gespannen naar de geluiden die vanuit het kamertje kwamen. Het enige wat ze kon opvangen was geroezemoes waar ze geen wijs uit kon worden. Ze nam haar broertjes bij de hand en ging buiten op het stoepje zitten. Ze zou in ieder geval probeerde haar broertjes bezig te houden. Beduusd keek ze om haar heen. Uit haar jaszak haalde ze een knikker. De knikker die ze altijd bij haar had. Het was haar geluksknikker en liet hem voorzichtig over haar handpalm rollen. Een donkerblauwe auto stopte voor de deur. Er stapte een man uit die een indrukwekkende hoed droeg. Haar broertjes keken met grote ogen naar de auto. Een auto zagen ze immers niet dagelijks. Je moest wel heel rijk zijn om er zo één te bezitten. 'Mag ik er even door jongedame,' vroeg de man die zijn hoed oppakte en lichtjes met zijn hoofd knikte. Ze sprong op en liet de man door. 'Oh, ik zie het al. U bent de dokter. Gaat u naar mijn zusje kijken en maakt u haar weer beter?' 'Laat me er maar eerst even door. Dan ga ik direct kijken wat er met jou zusje aan de hand is.' Even keek hij Sofie en haar broertjes aan voor hij het huis binnen wandelde. Sofie rende achter hem aan, maar tante Lien hield haar tegen. 'Nee lieverd, nu niet. Laat de dokter maar even. Straks mag je weer naar je zusje.' Tante Lien klonk niet overtuigend en een onbehagelijk angstig voorgevoel borrelde bij haar boven. Zo kende ze Tante Lien niet. 'Dat vind ik gemeen. Ik wil weten wat er met Suus aan de hand is. Ze is mijn zusje,' stampvoette ze. Tante Lien ontfermde zich over haar en probeerde Sofie te troosten. 'Kom Sofie, zo ken ik je niet. We moeten afwachten hoe het met Suusje verder gaat.' Ze keek tante Lien vragend aan en was bang dat ze boos op haar zou zijn omdat ze haar had tegengesproken. 'Kijk hier is een lijstje met boodschappen die we nodig hebben. Als jij nou eens die boodschappen ging halen. Vraag aan de winkelier of hij het even wil opschrijven.' Ze deed wat haar werd opgedragen, maar al snel zonk de moed in haar schoenen. Geen enkele winkelier wilde haar de boodschappen geven. Eerst moesten de rekeningen die nog open stonden worden voldaan. Pas dan zouden ze haar willen helpen. Vermoeid slofte ze terug naar huis. Er moest echt een wonder gebeuren, anders zouden ze deze avond zonder eten naar bed moeten. Op hun vader hoefde ze ook al niet te rekenen. Die was op zee en ondanks alles hoopte ze dat hij voorlopig weg zou blijven. Altijd was er die spanning, als hij thuis was. Stiekem was ze altijd blij wanneer de 48 uur die hij tussen twee reizen thuis was voorbij waren. Zijn buien konden van de één op de andere minuut opeens veranderen. Het beste wat je op dat moment kon doen was uit zijn beurt blijven. Stilletjes wandelde ze de slaapkamer van haar moeder binnen. Die vroeg meteen of ze de boodschappen had. Ze haalde haar schoudertjes op en liep naar het wiegje. Suusje lag op haar rug en keek haar met grote oogjes aan. Haar mondje vertrok enigszins en het leek net of ze Sofie wilde toelachen. 'Kijk eens mam, Suusje kijkt in het rond. Volgens mij gaat het al wat beter met haar. Tjonge, wat heb ik me ongerust gemaakt,' zei ze wijs. Voorzichtig aaide ze over het kleine hoofdje van haar zusje. 'Het komt wel goed. Ga maar naar oma en vraag of ze ons wat geld kan lenen. Straks komen je broertjes thuis en die kunnen we toch niet zonder eten naar bed sturen,' zei haar moeder met een brok in haar keel. Vertwijfeld keek ze haar moeder aan. 'Denk je dat oma ons wil helpen?' 'Vast wel. Oma weet toch dat ik op dit moment niets kan doen. Ga maar.' Opgelucht huppelende ze de kamer uit en ging op weg naar haar oma. Ze was gek op haar oma. Een enkele keer mocht ze blijven slapen. Daar voelde ze zich veilig en onbezorgd. Bij haar kon ze weer even kind zijn. Uren kon ze in de tuin of voor het raam naar de zee turen. Zeker als het stormde en de golven zich hoog optoornde en met bulderende schuimkoppen tegen het havenhoofd botste. Ze knopte haar vestje dicht en liep via de brug en de haven naar haar oma. Het was zeker een uur lopen. Toen ze er aan wilde bellen, had oma Sofie al langs het raam zien lopen en opende de deur voordat ze kon aanbellen. 'Hallo mijn kleine meid. Kom snel binnen. Ben je helemaal op je blote voetjes naar hier gewandeld. Kind kind toch dat is van de zotte. We gaan straks eerst schoenen voor je kopen.' 'Maar maar oma,' stotterde ze. 'We hebben vandaag geen geld voor eten. Daarom ben ik hier gekomen. Mamma hoopt dat u ons wilt helpen.' Met gebogen hoofd en een beetje schaamte, wist ze immers hoe vaak ze naar haar toe moest met dezelfde vraag. Opnieuw kwam dat machteloze en angstige gevoel bij haar boven. 'Kom kind, daar kan jij niets aan doen. Eet hier eerst een boterham, want je zult wel honger hebben.' 'Nou niet echt oma. Suus is ziek, maar mamma zegt dat ze wel weer beter wordt.' Terwijl ze door kwebbelde, smeerde haar oma twee lekkere dikke boterhammen. Samen gingen ze aan de grote eettafel in de woonkamer zitten en trots vertelde ze oma over haar zusje. Liefdevol keek oma haar aan en af en toe streek ze over haar bolletje. Toen ze klaar was met eten trok oma haar eerst een paar veel te grote sloffen aan en samen wandelde ze naar de schoenenwinkel. Ze zocht een paar mooie, maar niet al te dure schoenen uit en vol trost bleef ze ernaar kijken. 'Deze vind ik mooi oma. En ze zitten nog lekker ook.' 'Kom meid, nu gaan we boodschappen halen en dan moet je weer snel terug naar huis.' Met een volle tas met brood, worstwaren, melk en nog wat andere etenswaren liep ze terug naar huis. Plots struikelde over haar eigen beentjes. De tas was ook zo zwaar. Ze klapte tegen de grond en zag dat één van de melkflessen was stuk gevallen. 'Jeetje, dat moet mij weer gebeuren,' nam de tas van de grond en haalde de gebroken fles eruit. En zo snel als ze kon, rende ze naar huis. Toen ze thuis kwam zag ze dat haar broertjes behoorlijk te keer waren gegaan. Overal vond ze rommel. De kussens van de stoelen lagen overal over de vloer. Het tafelkleed lag ergens in de hoek, het vloerkleed lag schreef in de kamer en de lamp hing schreef omdat één van hen eraan was gaan hangen. Enkele verstopte zich in de kast, terwijl andere aan het bekvechten waren. 'Wat is dat nou. Zijn jullie nou helemaal besodemieterd,' schreeuwde ze hen toe. Geschrokken keken ze haar aan en begrepen dat ze te ver gegaan waren. Zij was de enige die nog enig invloed op hen kon uitoefenen. Ten slotte was zij degene die het meeste met hen voorhad. Ze bestrafte hen, maar troosten hen wanneer ze verdriet hadden. Ze was een beetje hun moeder, ook al was ze zelf nog zo klein. Ze verzorgde hen, bracht ze vaak naar school terwijl ze zelf niet naar school kon omdat er nog zoveel gedaan moest worden.

Twee dagen later.

Uitgeput hing ze het laatste stukje wasgoed aan de waslijn. Haar handjes waren rood van het wringen en haar rug deed pijn van het tillen van de zware emmers. Dikwijls lag ze 's avonds laat in haar bed en voelde de vermoeidheid in haar beentjes die pijnlijk aanvoelde. 'Zo dat is gebeurd. Nu even kijken hoe het met mamma en Suus gaat.' Haar handen afdrogend, keek ze in de spiegel die boven de wasbak hing en probeerde vluchtig het haar in vatzoen te brengen. Keek nog eenmaal naar haar pijnlijke handen, voordat ze geruisloos de kamer insloop. Boog over de slapende Suus, die er nog steeds erg wit uitzag. Plots stond de tante Lien achter haar en vroeg of ze haar wilde helpen om Suusje warm aan te kleden. Blij knikte ze haar toe en voelde zich trots. De tante Lien die haar vroeg of ze wilde helpen. Ze kreeg er zelf een dankbaar en fijn gevoel van. Maar de blijdschap was van korte duur. Wat er toen allemaal gebeurde, ging zo snel en kon zo klein als ze was, niet goed bevatten. Plots liep Suusje blauw aan en tante Lien vond dat het tijd werd dat de dokter erbij moet komen. De dokter kwam direct en besloot dat het beter was om haar zusje naar het ziekenhuis te vervoeren. Verdrietig en verward ging ze voor de deur op de stoep zitten. Niemand nam de moeite om haar op te vangen en als zo vaak, was ze op haar eentje aangewezen. Ze voelde de vermoeidheid opkomen, maar met alle kracht die ze nog in zich had vocht ze er tegen. De warme zomerzon maakte haar loom en uiteindelijk verloor ze het gevecht tegen de slaap. 'Sofie,' hoorde ze roepen. 'Wordt eens wakker. Ik ben het. Bram.' Geschrokken opende ze haar ogen en zag tot haar verbazing Bram met een zakje snoep slingeren. 'Je was niet op school vandaag, dus heb ik wat snoep voor je bewaard. Jij ook nog gefeliciteerd,' en reikte het haar aan. Toen hij tranen over haar wangen zag stromen, nam hij naast haar plaats en sloeg troostend een arm om haar heen. Voorzichtig veegde hij haar tranen weg en vroeg wat eraan de hand was. 'Mijn zusje is naar het ziekenhuis gebracht. Ze is erg ziek en ik ben bang dat ze niet meer terugkomt.' Bram wilde haar troosten, maar wist niet goed wat hij moest zeggen. 'Ik vind het heel erg voor je,' zei hij met een brok in zijn keel. 'Echt waar. Ze wordt vast wel weer beter. De dokters van tegenwoordig zijn erg knap. Niet treurig zijn Sofie. Het komt best goed,' maar hij wist dat het niet zou helpen. 'Ik vind dat lief van je Bram, maar ik heb er geen goed gevoel over. Dat gevoel blijft maar aan me knagen en ik ben zo moe.' Bram gaf haar een kus op haar wang. ' Weet je, ik kom morgen voordat ik naar school ga eerst nog even bij jou langs om te kijken hoe het met je gaat. Vind je dat goed?' Vertwijfeld liep hij weg in de hoop dat als hij de volgende morgen even langs ging, het een stuk beter met haar zou gaan. Sofie keek hem na. Toen hij uit het zicht was, opende ze het zakje met snoep en zag dat er een advocaatbonbon in zat. Daar was ze gek op. Haalde het gele papiertje eraf en stak het in haar mond. Opeens voelde ze zich misselijk worden. Een naar gevoel in haar maag maakte zich van haar meester en spuugde de bonbon uit. Al snel waren haar gedachten weer bij Suusje. Ze stond op en op haar blote voeten rende ze in de richting van het ziekenhuis. Haar voeten deden pijn door het grind op de weg, maar na een tijdje vergat ze ook deze pijn. Ze was zo verdoofd dat niets haar kon tegenhouden. Daaraan gekomen hield de portier haar tegen en vroeg waar ze zo snel naar toe moest 'Ik ik, wil naar mijn zusje. Ze moest opeens naar het ziekenhuis. Ik wil niet dat ze dood gaat,' en begon hartverscheurend te snikken. De portier ging door zijn knieën en met gedempte stem sprak hij haar toe. 'Maar lief kind. Wie zegt dat jou zusje dood gaat. Kom op, niet zo somber. Het komt best goed met haar.' 'Denk u dat echt. Weet u het zeker?' Hij boog zijn hoofd en ze zag dat hij haar peinzend aankeek. 'Ik weet het niet zeker, maar ik zal je naar de afdeling brengen. Eigenlijk mag ik dit niet doen, want je bent nog veel te jong om naar binnen te mogen. Maar voor deze ene keer maken ze misschien een uitzondering. Kom maar.' Aan zijn hand wandelde ze samen door de smalle gangen. In één ervan zei de portier dat ze moest plaatsnemen en beloofde dat er iemand bij haar zou komen die haar misschien kon vertellen hoe het met haar zusje was. Ze knikte opgelucht en was blij dat er eindelijk iemand was die haar opmerkte. Een doordringende lucht die altijd in het ziekenhuis aanwezig was, gaf haar een nog onaangenamer gevoel van onbehagen. Het was er doodstil. De neonverlichting en de steriele glanzende vloeren deden haar huiveren. Net als op de stoep voor haar huis, zat ze opnieuw te knikkerbollen van de slaap. Zo nu en dan zakte ze in een lichte roes en sprak ze zich zelf vermanend toe. 'Wakker blijven Sofie. Je moet wakker blijven,' en probeerde haar ogen open te houden door de oogleden met haar vingers omhoog te houden. 'Hallo Sofie, kom maar. We gaan naar een ander plekje, waar we rustig kunnen praten.' Opgelucht door de vriendelijke zuster, stond ze al wankelend op. Nu zou ze vast horen hoe het met haar zusje was en kon ze mamma gaan vertellen dat ze goednieuws had over Suus. 'Hoe gaat het met Suusje. Is ze alweer wat beter. Alsjeblieft zegt dat ze weer beter wordt. Dat zou het mooiste verjaardagscadeautje zijn wat ik ooit heb gekregen.' De zuster zette haar zwijgend op het randje van een bed, nam haar handjes in de hare en schrok meteen. Onderzoekend bekeek ze het en zag dat er eelt op zat. 'Zo, dat zijn werkhanden, maar hield plots haar mond en zei. 'Ik weet niet hoe ik je moet vertellen, maar.' 'Ik weet het al,' stamelde Sofie. 'Ze wordt niet meer beter hé. Blijft ze altijd ziek. Ik zal heel goed voor haar zorgen hoor,' ratelde ze maar voort. De zuster legde een hand tegen haar wang en fluisterde dat ze geen goed bericht had. 'Ze wordt nooit meer beter. Ik weet niet hoe ik je dat kan uitleggen. Lieve kind, stamelde ze. Het spijt me zo, maar je zusje is net overleden.' Snikkend zakte Sofie ineen en keek de zuster met vragende natte blauwe ogen aan. De zuster legde haar voorzichtig op het bed en streelde zachtjes over haar bolletje, totdat ze weer wat gekalmeerd was. Langzaam kwam ze weer tot zichzelf. Haar hersentjes draaiden en maalde maar door. De angst, verbittering en vermoeidheid, maakte haar machteloos. 'Ik ben zo moe. Ik ben ook zo moe. Ik zou wel voor altijd willen blijven slapen, zo moe ben ik.' Gewillig liet ze zich door de zuster troosten. Ging opeens rechtop zitten en vroeg. 'Mag ik haar nog één keer zien, fluisterde ze, terwijl ze de zuster vragend aankeek?' 'Natuurlijk lieve meid, maar wil je dat echt?' 'Ik wil afscheid van haar nemen.' 'Maar lieverd, ik vind het geen goed idee. Misschien mag je morgen of overmorgen afscheid van haar nemen, samen met je mamma. Op dit moment kan het echt niet. Dat wil ik je besparen.' Opnieuw keek ze de zuster vragend aan en weer branden de tranen in haar ogen. De zuster die toch al heel wat gewend was in haar vak, was niet tegen de situatie opgewassen en samen vloeiden de tranen over hun wangen. 'Niet huilen zuster. Ik begrijp het wel. Ik ga wel weer naar huis, want mijn broertjes moeten ook verzorgd worden. Dag,' ze sprong van bed en rende terug naar huis.

De volgende dag

Vandaag zou Suus naar huis komen. Er was geregeld dat haar overleden zusje tot aan de begrafenis thuis zou worden opgebaard. Zo noemen ze dat, had mamma haar uitgelegd. Suus wordt dan in een klein wit kistje gelegd, zodat iedereen die wilden afscheid van haar kon nemen. Haar vader zou Suus nooit zien. Hij was nog steeds op zee en kon niet zo snel naar huis komen. Sofie had iedereen die moest weten dat haar zusje was overleden ingelicht. Allereerst was ze natuurlijk bij haar oma geweest. Oma had haar getroost. Heel anders dan de andere oma. Die had haar schouders opgehaald en een heel gemeen antwoord gegeven. Ze had zelf besloten dat ze dat maar niet tegen mamma zou zeggen, die had al verdriet genoeg. Het moest maar weer bij al haar andere geheimen worden gezet. In de loop van de tijd had ze in haar kleine leventje al genoeg gemene opmerkingen van volwassenen moeten incasseren. Opmerkingen waar zij niets mee kon en ook niet kon vertellen, omdat ze wist dat dit op een enorme ruzie uit zou lopen. Ruzie maakte ze al genoeg mee. Nee, ze had gezegd dat de andere oma het heel erg voor haar mamma vond, maar dat ze niet in staat was om haar te bezoeken. Sofie hoorde een auto voor de deur stoppen. Stiekem gluurde ze vanachter het spierwitte laken naar buiten. Het was een gewoonte dat als er een familielid was overleden dat de ramen werden afgedekt met een wit laken. De precieze betekenis had ze nooit zo goed begrepen en ze vond het altijd maar een lugubere gewoonte. Zodra bekend was dat haar zusje was overleden, had mamma het laken voor het raam laten hangen. Het kleine slaapkamertje van haar ouders was leeggehaald en het bed waar haar moeder nog minstens 5 dagen op moest blijven rusten, was nu in de woonkamer geplaatst. Uit de auto stapte een man en een vrouw. Sofie herkende haar, het was de zuster die haar had verteld dat Suus is overleden. Zij droeg een witkistje dat ze stil zwijgend binnen bracht. Een moment bleef ze staan, groette haar en vriendelijk glimlachend vroeg ze. 'Hoe gaat het Sofie. Zou je mij kunnen helpen om Suusje haar eigen kleertjes aan te trekken, zodat ze zich fijn voelt en er mooi uitziet voor het afscheid.' Ze knikte en samen brachten ze het witte kistje naar het kamertje waar Suus was geboren en waar haar bedje had gestaan. Mamma had de mooiste kleertjes uitgezocht die ze hadden en samen kleedde ze Suus liefdevol aan. 'Zo Suus, nu heb je geen pijn meer hé,' fluisterde Sofie. 'Ik zal je missen, al ben je nog zo kort bij ons geweest. Ik had je willen leren hinkelen, sommetjes maken en samen spelen. Ze pakte het kleine handje van haar zusje dat koud aanvoelde. Er viel een diepe stilte. Met natte ogen keek ze haar moeder aan. 'Ze heeft het koud mam. Zal ik er een deken bijleggen?' 'Maar kind, je zusje heeft het niet koud meer. Ze is ergens waar het lekker warm en heel vredig is.' Zachtjes trok ze haar dochter dicht tegen haar aan en wreef met haar vingers door het haar. 'Ze is nu gelukkig hé mam. Ze heeft echt geen pijn meer, toch? Komt oma ook afscheid nemen?' 'Ik weet het niet kind, maar hou nu even je mond. Ik, ik…., haar mamma wreef wat tranen weg en verliet het kamertje. 'Is ze nu boos', vroeg ze aan de zuster? 'Nee hoor kind. Je moet maar niet zoveel aan haar vragen. Het is allemaal een beetje te veel voor je mamma Ze is net zo verdrietig als jij. Als je iets wilt weten, vraag het maar aan mij. Zo, kijk eens hoe mooi Suusje in haar kistje ligt. Nu nog wat kleur aanbrengen op haar wangentjes en dan zijn we klaar.' 'Mag ik het doen?' De zuster knikte en samen brachten ze wat kleur aan op het bleke gezichtje van Suus. 'Dat ziet er goed uit, ja toch?' 'Zeker weten,' zei de zuster. Sofie keek aandachtig naar haar zusje. Wreef langs haar kin en daaraan kon je zien dat ze iets van plan was. 'Ik moet even weg. Ben zo terug,' en weg was ze. De zuster keek haar verbaast na en al schuddend met het hoofd, ging ze verder waar ze mee bezig was. Sofie rende door straten en poorten en was op het idee gekomen dat haar zusje van die mooie en lekker ruikende bloementjes kreeg. Het probleem was dat ze er geen geld voor had om ze te kopen. Maar daar wist ze wel wat op. In de wijk waar al die grote mooie huizen stonden, had zij ze in een tuin zien staan. Die mensen zou het vast niet erg vinden als ze er een paar voor Suusje zou plukken. Dus rende ze zo snel als ze kon naar de tuin waar zij ze kortgeleden nog had zien staan en ze hoopte dat er nog wat van die mooie bloementjes over waren. Bij de bewuste tuin aangekomen, stond deze boordevol met verschillende bloemen in allerlei kleuren. Ook degene die ze zo graag voor haar zusje zou wilde plukken. Inmiddels waren het er zoveel dat ze er zeker van was dat ze die paar die ze wilde plukken ze vast niet zouden missen. Voorzichtig keek ze om haar heen. Ze besefte heel goed dat wat ze deed niet goed was, maar het kon haar op dit moment weinig schelen. Lenig sprong ze over een laag muurtje en sloop naar de plek waar ze gele fresia's zag staan. Snel en zorgvuldig plukte ze er een paar. Net toen ze weer over het muurtje wilde springen, stond daar een grote donkere harige man die haar de weg blokkeerde. Stijf van schrik en beseffend wat ze gedaan had, pakte hij haar bij een arm. 'Zo jongedame. Wat zijn wij van plan. Leg jij mij maar eens uit waarom je mijn tuin verwoest. Je weet toch wel dat het verboden is om andermans bloemen te stelen. Geeft ze dus maar snel hier.' Woest keek Sofie hem aan. Als hij dacht dat hij ze terug kreeg, dan had hij het toch goed mis. Niets en niemand zouden haar deze bloemen afpakken. Ze zijn voor Suus en hij had er toch genoeg van. Wat zeurde hij toch. Nee, wat er ook gebeurt, hij kreeg ze niet terug. 'Ik dacht het niet. U kunt best een paar bloemen missen. Deze zijn voor mijn kleine zusje.' Ze probeerde zich los te rukken, maar de man had haar goed vast en nam haar mee het huis binnen. In de keuken zat de vrouw van de man en keek haar boos aan. Zo boos dat ze er bang van werd. 'Nou kleintje dat is niet zo mooi hé. Wat moet er nu van jou terechtkomen. Weet je niet dat dit verboden is? Misschien kan je ons vertellen waarom je dat deed. Ga maar even aan de keukentafel zitten. Wil je misschien een glaasje limonade?' Verbaast keek ze de vrouw aan en begreep er nu helemaal niets meer van. Eerst zijn ze boos en willen ze dat ik de bloemen terug geef. En nu vraagt zij of ik limonade wil, nou ja zeg, dacht ze. 'Waarom vraagt u of ik limonade wil. Ik heb toch van u gestolen.' 'Dat is zo, maar ik wil graag van je horen waarom je het deed,' zette een glas limonade voor haar en ging tegenover haar zitten. Sofie schaamde zich. Natuurlijk had ze geweten dat het niet goed was wat ze deed, maar toch wilde ze de bloemen. En hoe moest ze er anders aankomen dan ze gewoon uit de tuin van iemand anders plukken. 'Ik ik, stamelde ze. U hebt gelijk, ik had het niet mogen doen. Ze zijn voor mijn kleine zusje. De zuster en ik hebben haar heel mooi aangekleed en in haar kistje gelegd, maar het kistje is zo kaal. Ik wilde er heel graag wat van deze bloementjes inleggen. Suus zou ze vast heel mooi hebben gevonden en ze ruiken ook nog erg lekker. Ruikt u maar', en ze duwde de bloemen onder de neus van de vrouw. 'Ik had ze niet mogen pikken, maar we hebben geen geld om ze te kopen. We hebben vaak niet eens geld voor de boodschappen. Of om het gas en licht of het water te betalen. Ik dacht dat u ze toch niet zou missen. Ik beloof u dat ik het nooit meer zal doen. Mag ik nu gaan. Ik wil ze bij Suus in haar kistje leggen.' Verlegen boog ze haar hoofd of was het van schaamte dat ze de vrouw niet durfde aan te kijken. Angstig en bevend hief ze haar hoofd op en zag dat het echtpaar haar vertwijfeld aankeek. Geen van beide wisten wat ze hierop moesten antwoorden. Ze zagen een klein meisje wat tegelijkertijd droevig, spontaan en veel te volwassen was voor haar leeftijd. Beide begrepen dat ze uit een heel ander milieu kwam dan waar zij zich in bevonden. Enigszins beschaamd stond de man op en legde voorzichtig een hand op de smalle schouders van Sofie. En met gedempte, maar vriendelijke stem, zei hij. 'Ach lieve schat. Kom, we gaan naar de tuin en dan mag jij voor je zusje de mooiste bloemen plukken die er staan. 'Nee hoor, dat hoeft niet. Ik weet zeker dat Suusje heel blij is met deze', en trots hield ze haar bosje fresia's omhoog. 'Mag ik nu gaan?' Het echtpaar knikte en beiden zeiden tegelijk dat ze maar snel moest gaan. Ze sprong op en rende naar huis. Bij de sluis bleef ze staan. Het water trok haar altijd aan. Ze keek naar haar fresia's en stopte ze veilig achter haar rug. Als de sluis openstond, spuide het water vanuit het verversingskanaal naar de zee. Gefascineerd keek ze door het gaas naar het water dat met donderend geweld zich door de smalle sleuf perste. De kracht ervan maakte haar altijd angstig en ze hield de fresia's nog steviger vast. Bang dat ze alsnog in het water zouden vallen. Snel deed ze een stap achteruit en rende huiswaarts. Thuis bekeek ze de fresia's en zag dat de meeste geknakt waren. Ze verzorgde het bosje met liefde en met een oude veter bond ze de bloemen zo goed mogelijk bij elkaar. Zachtjes liep ze naar het kleine kamertje waar het kistje stond. Het kamertje was donker omdat de gordijnen waren gesloten. Toen haar ogen aan het donker waren gewend, liep ze naar het kleine kistje. Het was op een tafeltje gezet, zodat ze op een klein krukje moest gaan staan om naar haar zusje te kunnen kijken. Ze keek om zich heen en de leegte van het kamertje maakte haar triest. Sofie zuchtte eens diep en voorzichtig duwde ze het bosje fresia's tussen de kleine handjes van Suus. 'Zo Lieve Suusje. Sommige zijn dan wel wat geknakt, maar nu ruik je naar lekkere fresia's. Ik vind ze altijd zo lekker ruiken en ik weet zeker dat jij ze ook heel mooi vindt. Weet je, ze zeggen dat morgen je kistje dicht gaat. Ik zal je heel erg missen. Waarom ben je nou dood gegaan. Ik had je nog zoveel willen leren.' Uit één van haar zakken haalde ze haar geluksknikker tevoorschijn en bekeek hem van alle kanten. Eens had ze hem van Bram gekregen en vanaf die dag had ze hem altijd bij zich gehad. Nog éénmaal hield ze hem stevig in haar handje. Gaf er zachtjes een kus op. Legde het naast het hoofdje van haar zusje en fluisterde. 'Deze knikker is voor jou. Hij brengt je zeker geluk als je in de hemel komt. Kijk maar, allemaal verschillende kleuren. Jij mag hem hebben dan kan je eraf en toe naar kijken en misschien denk je zo nu en dan nog aan mij als je daarboven bent.' Tante Lien, die al enige tijd achter haar stond, zei dat ze mee moest komen. 'Kom Sofie, je moet wat eten. We hebben soep,' maar veel trek had ze niet. Ze hielp haar broertjes die niet echt beseften wat er gaande was. Deze keer konden ze eindelijk weer eens met een goed gevulde buik naar bed. Nadat ze haar broertjes naar bed had gebracht, ruimde ze de tafel af en ging verder met de was die nog gestreken moest worden. Ze was moe, maar liet de vermoeidheid niet toe. Ze werkten tot diep in de nacht en viel op een stoel in een diepe slaap.

De volgende dag.

Sofie schok wakker omdat er aan de voordeur werd gebeld. Ze ging rechtop in haar bed zitten en keek verward in het rond. Zonder dat ze er erg in had gehad, had iemand haar naar bed gebracht. Snel kleedde ze zich aan en liep de trap af. Daar stond een man in een zwart pak en in zijn handen had hij een hoed waar een zwarte lint aan hing. Ze vond het zo luguber dat ze er een brok van in haar keel kreeg. Het enorme schuldgevoel dat ze in slaap was gevallen deed haar pijn. Ze was ervan overtuigd geweest dat ze niet in slaap zou vallen. 'Hallo, jij bent Sofie. Ik heb gehoord dat jij met ons mee gaat om je zusje naar haar laatste rustplaats te brengen. 'Mag ik u helpen het kistje te sluiten, meneer?' De man keek haar moeder aan die er net zo moe en wit uitzag als Sofie. Haar moeder knikte lichtjes en zei dat ze er zelf liever niet bij wilde zijn. Hij knikte en zei dat hij het wel begreep. Samen met de man stonden ze voor het kistje. 'Wil je nog iets tegen haar zeggen?' Sofie keek hem peinzend aan en knikte. 'Dag lieve Suus, eens zal ik je zeker weer zien. Niet bang zijn hoor.' Samen pakte ze het deksel en schoven hem over de kist. Ze wilde zich groot houden, maar ondanks dat rolde de tranen over haar wangentjes. 'Wacht even, ik wil haar graag nog een kusje geven.' Langzaam boog ze zich voorover en gaf Suus een heel klein kusje op haar neusje. Ze deden het deksel er weer op en met goudkleurige knoppen vergrendelde ze het kistje. 'Mag ik haar dragen meneer. Ze is toch niet zwaar, alsjeblieft?' 'Maar natuurlijk mag dat. Doe het wel voorzichtig en kijkuit voor de drempels. Ik loop je wel voor. We doen het zo statig mogelijk.' Met zijn hoofd gebogen en zijn hoed tegen zijn buik gedrukt, liep hij haar voor. Toen ze buiten kwamen en ze de lijkwagen zag staan, had ze zich het liefst zo snel mogelijk weer willen omdraaien om het kistje terug te zetten waar het stond. Zachtjes dwarrelde de regen naar beneden en de druppels lieten een regelmatig getik op het kistje horen. De man opende het portier en nam het kistje dat ze niet los wilde laten van haar over. 'Stap eerst maar in dan zet ik je zusje op je schoot.' Sofie gehoorzaamde. Voorzichtig zetten hij het kistje op haar schoot en sloot de deur. Ze keek de chauffeur aan en met een zachte stem zei ze. 'Ik ga mijn zusje begraven. Nu zijn we haar echt kwijt. Stom hè, het is toch niet eerlijk. Waarom wordt ze nu alweer bij ons weggehaald? Ik vind het niet eerlijk. Ze is nog zo klein. Ze heeft toch nog niemand kwaad gedaan?' De chauffeur keek haar aan en ook hij kon zijn tranen niet meer bedwingen. Rijkelijk liet hij ze over zijn wangen vloeien en toen Sofie hem haar zakdoekje gaf zei ze troostend. 'Oh, maar het is niet u schuld hoor. U moet alleen u werk maar doen. Ik neem het u niet kwalijk dat we haar moeten begraven.' Snel veegde de chauffeur zijn tranen weg en richtte zijn blik op de weg om de auto in beweging te zetten. De auto reed het kerkhof op en stopte voor de aula, waar ze geen gebruik van zouden maken. De enige die haar vergezelde waren haar oma en tante Lien. Mamma moest immers nog rust houden. Het zou nog 2 dagen duren voor zij weer een tijdje uit bed mocht. Omdat het kistje voor haar nu toch wel wat te zwaar werd, nam de man met de hoed het van haar over. En met één handje op het kistje, wandelde ze samen naar het grafje. 'Waarom is er niemand om onze Suus gedag te zeggen,' vroeg ze haar oma. Oma keek haar aan. Gaf haar een aai over haar bol en haalde licht haar schouder op. Verloren boog ze haar hoofdje en wandelde langzaam in de richting van Suus grafje. Plots voelde ze een arm rond haar schouders. Toen ze opzij keek zag ze Bram. 'Hallo Sofie. Mijn moeder en ik zijn er om je te troosten. Hij pakte haar hand en kneep er zachtjes in. Vluchtig keek ze hem aan en verlegen beantwoorden ze zijn knijpje in haar hand door hem terug te knijpen. Oh wat was het goed dat hij gekomen was en wat was ze er blij om. Nog éénmaal keek de man in het rond en vroeg of er nog iemand was die iets wilde zeggen. Voorzichtig deed Bram een stapje naar voren en met een brok in zijn keel begon hij te spreken. 'Hallo kleine Suus. Ik vind het heel erg dat je niet bij Sofie kunt blijven. Je hebt een hele lieve zus. Ik kan het weten, want ze is de liefste vriendin van de hele wereld. Misschien komen we elkaar ooit nog eens tegen en ik beloof je dat ik je dan alles wat ik over haar weet zal vertellen. Bram had nog zoveel willen zeggen maar de emoties werden hem te veel. Sofie omhelsde hem en zei. 'Het is goed zo. Kijk nou, je wangen worden helemaal nat van de regen. Ik ben zo blij dat ik jou als vriend heb. Dat komt vast omdat we op dezelfde dag jarig zijn. Denk je niet? Zijn lippen pruilde zich en al wrijvend in zijn ogen, zei hij. 'Nou dat is echt niet van de regen hoor. Dat komt omdat ik huil en omdat ik net zo verdrietig ben als jij.' 'Weet ik toch,' antwoordde ze zacht. Toen was het moment gekomen waarop de man het kistje met behulp van twee touwen langzaam in het grafje liet zakken. Samen strooiden Sofie en Bram een handje zand op het kistje en fluisterde'. Slaap zacht, lieve Suus.' Einde.
Geschreven door Dirk(Dik) Bal © Voor meer verhalen zie www.sprookjesverhalen.nl
...terug ...home Geplaatst op 21-07-2007 en 5327 keer gelezen
Like dit 1923 Liked