Sch 69 de Zeevaart

Het was 27 Nov 1954 en ik was toen reepschieter op Sch 69 de Zeevaart, we gingen nog uit voor een reisje onder Engeland.. Het was al laat in de teelt, en er had al menige zware storm de Noordzee geteisterd. Het zou de laatste reis van deze teelt wel voor ons worden. De reis hier voor hadden we namelijk, de helft van onze vleet in zwaar weer verspeeld. Al waren we niet de enigen die dat jaar veel netten verspeelden. Wel was onze Schipper Maarten Harteveld, deze teelt de lukkepiet van alle vleetloggers. Er was maar één logger die vlak onder de totale besomming van dat moment, van ons af zat. En dat was de Clara de SCH 130 met Zier de Reus als schipper En omdat de Clara deze teelt nog naar het Kanaal zou gaan, wat voor de Zeevaart niet mogelijk was. Omdat het schip te weinig motor vermogen voor het Kanaal had. Zou de Clara wel haast zeker de hoogste besomming van 1954 gaan maken. De bemanningleden aan boord die ik me nog herinner waren, Stuurman Teun de Bruin. Waarvan we op een zeker moment dachten, dat hij met zijn zwarte oliejas voor de winch staande een show ging opvoeren. Dat begon zo: Hij riep naar mijn broer Mink die afhouder was dat hij achter de winch moest komen. Om de slek van de rijp van de tweede halve vleet in te gaan winnen. De matrozen die net hun pikheet op hadden, stonden al klaar om de andere halve vleet scheep te gaan halen. Plotseling begon Teun rare capriolen uit te halen, die een goede artiest niet zouden hebben misstaan. Hij greep met zijn beide handen, met een vertrokken gezicht naar de kraag bij zijn keel. En maakte daarbij gorgelende geluiden, terwijl hij steeds verder met zijn knieën naar het dek zakte. Kronkelend als een buikdanseres bewoog zijn lichaam op en weer. En met ver uitgepuilde ogen keek hij ons in doodsnood aan. We stonden machteloos aan het dek genageld niet wetend wat er aan de hand was. Zonder ook maar iets te doen stonden we naar Teun zijn show te kijken. We zagen ook achter Teun de ouwe naar de handel van de winch toe rennen. Die hij snel op stop trok, en daarna met geopend stripmes naar de stuurman toe vloog. En met één haal van zijn mes de kraag van de stuurman door sneed. Die kronkelend, en met luid in en uit gierende ademhaling op het dek lag te spartelen. Na een poosje werd Teun gelukkig weer wat rustiger, en hij kreeg ook zijn normale gezichtkleur weer terug. En de oorzaak van dat haast fatale gebeuren mensen was de winch. Die had ooit op een Deense beugvisser gestaan. Op de voorkant daarvan zat een langwerpig tandrad wat heel snel draaide als de winch in werking was. En dat tandrad was Teun haast fataal geworden, want wat was er gebeurd. Dat tandrad had Teun zijn oliejas gegrepen. En de draaiende beweging had Teun zijn jas, steeds verder naar beneden getrokken. En hij zou zeker door zijn jas gewurgd zijn, als de ouwe niet gezien had wat de oorzaak was. Van horen zeggen is het met Teun later helaas ook niet zo goed meer gegaan. Zijn zoon was voor de vuurtoorn tijdens het zwemmen verdronken, en dat heeft hij niet kunnen verwerken. Dan was er de monteur Mink Vink die iedere aanhef van een zin, met warre, warre begon. Ook deze man had het geluk niet mee hij heeft later een ernstig ongeluk op de troller gehad. En dan was er Zier Roos Kok 76 Jaar oud en wonende in de Zeilstraat. Een hele goede man dat wel maar ja zijn kookkunst was ver onder de maat. Wat normaal was want in die tijd kon je op die leeftijd als matroos niet meer mee. En AOW van vadertje Drees was er toentertijd nog niet bij. En zo,n man moest toch ook leven dus had je geluk als je dan als kok mocht varen. Aan het want kon hij niet meer mee dus ging hij het wantruim in om de vleet goed weg te stouwen. En dat was zeer zeker ook nog hele een kunst om dat zo goed te doen. Dat de vleet vlekkeloos door de matrozen tijdens het schieten, weer uit het wantruim op gehaald kon worden. Maar Zier is ondanks al dat harde werken toch diep over de negentig geworden. De matrozen waren naar mijn weten, Arie Roeleveld die doof was geworden. Om dat hij tijdens een konvooivaart naar Amerika in de tweede wereldoorlog was getorpedeerd. En waarvan hij soms aan boord nog angstdromen had. Dan waren er Huig Taal die van de Advocaat was, Arie Bal, Wim Kos een hagenaar, Teun Harteveld een broer van de ouwe, en Job Knoester die oudste 7/8 ste was. Dan waren er Oudste 6/8 ste, Arie de Bree ook een hagenaar. Die had een levend konijn mee aan boord genomen. Voor verder op de reis om hem te slachten voor een lekker stukje vers vlees. Want met het vlees wat je in het begin van de reis mee kreeg deed je hoogstens vijf dagen. Toen de tijd rijp was om het konijn te slachten, ging dat zeker niet van een leien dakje. Je moest zo,n beest dan met de scherpe kant van je hand een klap in de nek geven. En dan was hij morsdood zei Arie tegen ons. Maar na drie enorme klappen leefde het arme diertje nog steeds. Toen pakte Arie de pook er maar bij, nou dat werden ook drie rot klappen. En toen had het arme diertje eindelijk het loodje gelegd. Toen werd het door Arie geslacht en zo te zien had Arie daar ook geen kaas van gegeten. Het was echt niet om aan te zien hoe hij met die grote klauwieren het beestje zijn ingewanden er uit trok. Toen hij met dat bizarre werkje klaar was werd het beestje in de margarine gebakken. En zweefde er een heerlijke lucht van gebakken vlees over het achterdek tot in de brug aan toe. Maar terwijl het beestje heerlijk geurend in zijn vet lag te garen, besloot de ouwe dat het schot is te boord was. Wat er daarna precies is mis gegaan weten we niet,maar toen we achter de vleet lagen. En de afhouder met zijn heldere jongensstem ”Geschoten met vlijt vragen wij u o Heer Zege op onze arrebeid, Amen,” had geroepen. Roken we een doordringende brand lucht, en toen Arie in de kombuis kwam.Trof hij een geheel geblakerd zwart konijn in de bak pan aan. Dan was er Willem Kwast uit ook een Hagenaar die als jongste vaarde. De reepschieter was ik, en ik had toen al besloten dat ik monteur wilde worden. Als ik de kans kreeg kon je me in de motorkamer vinden, vol bewondering naar al die draaiende, en op neergaande dingen kijkend. En de afhouder was Mink mijn dertien jaar oude broertje. Met al deze mensen kwamen we na drie weken onder Engeland gevist te hebben met 39 last terug van de visgronden. Toen we zo.n 60 mijl van Scheveningen af waren besloot onze ouwe een halve vleet te gaan schieten. Om dat de Engelse weerberichten een storm waarschuwing af gaven van NW 8 met uitschieters tot 9. Terwijl het Nederlandse weerbericht 6 tot 7 NW gaf En hij wou niet vlak onder de kust zijn als de storm op zijn hoogtepunt zou zijn. Na geschoten te hebben werden er zeilen, met latten over de luiken gespijkerd. Die houten luiken waren een zwakpunt tijdens slecht weer op die loggers. Je moest ze goed vastzetten anders spoelden ze er af en dan kon je het wel schudden. Na een veiligheidslijn van af de kap voor naar de winch achter gespannen te hebben, ging de wacht op. En de rest ging te kooi om te proberen een nopje te doen. Zo ook deze jongen ik werd wakker om dat ik de wind als een waanzinnige door het want hoorde gieren. Ik kroop mijn kooi uit en ging de trap naar boven op. En in de kap staande zag ik de boeg van de Zeevaart op een hoge golf langzaam omhoog komen. Steeds hoger en hoger ging het, en toen begon hij met een razende vaart naar beneden te zakken. De reep werd in een zwiepende bocht staande haast tot aan de eerste blaas van de vleet uit de kolkende zee getild. Ik voelde mijn maag omhoog komen, en het scheelde maar weinig of al mijn eten van die middag kwam er uit. En daarna zag ik weer van die gigantiese hogen brekers met wit vuile schuimkoppen, in het schemerig licht op ons afkomen wat een spookachtig uitzicht bood. Na dat we de storm zonder dat er noemens waardige schade, door het hoog opgezweepte water was toe gebracht, hadden afgereden. Of het moest zijn dat we de ton bloem voor het brood bakken hadden verspeeld. Gingen we de volgende nacht de geschoten halve vleet halen. De wind was tot zo,n kracht 3 uit het NW afgezwakt. Toen het eerste net over de rol binnen kwam zat er nog een leuk visje in. Na dat we de halve vleet binnen hadden gehaald, lagen er zo,n zestig kantjes in de krebbe en de last. Toch nog een leuke verrassing vonden de matrozen. Al dacht je als jongen werden het maar meeuwen dan vlogen ze van zelf weg. De ouwe ging met de kop in het winnetje leggen zo dat we de haring rustig konden steuren,en daarna gelijk de tonnen te kuipen. Zo dat ze gauw onderdeks konden, maar in die tijd schoot de wind uit naar West 7 En aangezien we bezig waren alles van dek te krijgen lagen de voorste 2 dubbele ruimen open om dat daar de 60 kantjes in moesten. Ik was bezig met de jongste, en mijn broer. Om het net van de blazenkee over de blazen te gooien voor dat ze overboord zouden gaan. En wat ik toen zag deden mijn haren ten berge rijzen over bakboordboeg kwam een huizenhoge breker. Als maar hoger wordend op ons afstormen,en ik hoorde de ouwe schreeuwen dat we weg moesten wezen. Ik schoot met mijn broer en de jongste de kap in, en vlak achter ons donderde de breker op het voordek neer. Alles op zijn weg naar achteren toe meesleurend. Krampachtig hield me in de kap staande terwijl het water het vooronder in stroomde. Het leek wel of er geen einde aan kwam, toen het water weg was stonden we drijfnat met onze laarzen vol water in de kap. We lagen dwarszee, en slingerden zwaar van stuur naar bakboord. Naar achteren kijkend zag ik de ouwe aan het roer draaien bezig om de kop weer in de aanstormende brekers te krijgen. Gelukkig was de motor blijven draaien zo dat we even later weer met de kop in de wind lagen te steken. Aan dek was het een grote ravage de blazenkee was op een paar blazen na leeg. De last was helemaal weg en van de kantje die aan dek stonden. Om in het dubbele ruim gestouwd te worden was de helft in zee verdwenen. De twee dubbele ruimen stonden tot een kwart hoogte met water. Maar gelukkig was onze monteur Mink Vink al volop aan het lenzen. En met behulp van de handpompen waar we allemaal op ons beurt aan stonden te pompen. Kregen we het schip gelukkig weer lens, ook bleek dat het voordek, zo,n twintig cm naar beneden was gedrukt. De antenne van de zender was helemaal verdwenen, zo dat we ook geen contact met de buitenwereld meer hadden. En overal op het dek lag zand dus moest die breker een grondzee geweest zijn. Door dat de wind ineens naar het westen schoot ging de zee zwaar door elkaar lopen. En het ongeluk was dat wij die breker net in de weg zaten. Om dat we dicht bij IJmuiden zaten besloot de ouwe daar heen uit te wijken. Maar om dat de zender buiten werking was dacht iedereen aan de wal dat we onder de kust vergaan waren. Om dat onze ouwe even daar voor nog doorgeven had dat we dwars voor IJmuiden zaten. Toen we met de bus op het Tesselseplein arriveerden stonden, wat vrouwen van de bemanning te wachten. Die als Furies tegen de ouwe te keer gingen om dat hij niks van zich had laten horen. Toen mijn broertje Mink en ik thuis in de Flakkeeschestraat aanbelden. Deed mijn vader open en vroeg wat komen jullie doen, jullie zijn toch voor Ijmuiden verdronken. Nou daar wisten we niks van zeiden we tegen onze vader. Later bleek dat de ouwe even voor we die klap water over ons heen kregen, op de zender bezig was. Om te zeggen dat we thuisstomende waren, maar toen die smak water op het voorschip donderde. Riep hij door de zender god allemachtig wat gebeurd er, of iets in die strekking. En daarna werd het stil en om dat we geen antenne meer hadden is het stil gebleven. Zo doende dacht iedereen dat we vergaan waren. Ja mensen dat is wat ik na 54 jaar me nog van deze gebeurtenis kan herineren. Dus als er mensen zijn die hun naam door mij als bemanninglid aan boord van de Sch 69 Zeevaart hebben noemen. En dit verhaal nog kunnen verbeteren dan hoor ik dat graag. Leen
...terug ...home Geplaatst op 17-07-2008 en 464 keer gelezen
Like dit 226 Liked