De Nederlandsche Zeereddingsdienst: een fenomeen in de Tweede Wereldoorlog

1. Introductie

De voorpublicatie van een in september 1994 verschenen boek over het oorlogsbeleid van het Nederlandse Rode Kruis tussen 1867 en 1945, bepaalde mij op dat moment bij een merkwaardig fenomeen dat ik ooit was tegengekomen en waarbij het Nederlandse Rode Kruis een wat twijfelachtige rol speelde. De aanloop naar dit onderwerp heeft een wat bredere basis maar uiteindelijk komen we terecht bij waar wij moeten zijn, namelijk bij de Nederlandsche Zeereddingsdienst (ZRD) uit de jaren van de Tweede Wereldoorlog. Voor hen die wat jonger zijn en die de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog niet duidelijk voor ogen hebben zal het volgende tot voor-informatie dienen. In mei 1940 werd Nederland door Duitsland veroverd en bezet. Het Duitse leger ging door en het succes ervan leek niet te stuiten. West-Europa was eind juni 1940 vrijwel geheel door Duitse troepen bezet en al snel richtte de blik van Adolf Hitler en de zijnen zich sterk op Engeland. Een grootscheeps Duits plan, 'Operatie Seelöwe' genaamd, ontwikkelde zich met als enig doel, Groot Brittannie via een invasie in te nemen. Een Duits overwinningslied "Jetzt wir fahren gegen Engeland" klonk in vele toonaarden uit de kelen van Duitse soldaten die marcherend door de straten trokken of in groepen in café's een biertje dronken. Intussen werd Engeland vanaf midden 1940 zwaar gebombardeerd door de Duitse Luftwaffe zodat Groot Brittannie stormrijp werd gemaakt voor de Duitse invasievloot. Op deze bombardementen en de daaraan deelnemende vliegtuigen kom ik straks, in het kader van het feitelijke onderwerp, nader terug. Alhoewel het plan voor de invasie op Engeland in theorie indrukwekkend leek, was de praktijk een andere. Zo was, in tegenstelling tot het Duitse leger, de Duitse Kriegsmarine heel wat minder uitbundig en wel op grond van eerder door hen geleden verliezen bij de aanval op Noorwegen in mei 1940. En hoe slecht hun invasievloot in de praktijk wel was mag blijken uit het feit dat de Duitsers zelfs rijnaken en platboomde vaartuigen vorderden om deze als transportschepen de oversteek naar Engeland te laten maken. Deze rijnaken en andere open vaartuigen lagen onder andere in de haven van Scheveningen en sommige werden, vooruitlopend op hun nieuwe taak, voorzien van een vliegtuigmotor voor de voortbeweging. Want tijd en mogelijkheid om goede scheepsmotoren in te bouwen bleken niet voorhanden. Het tij keerde; de bombardementen op Engeland bleven aanhouden maar de invasieplannen verdwenen van tafel. De crusiale dag van de invasie, 15 september 1940, ging voorbij in een verwarring van elkaar tegensprekende Duitse weerkundigen en met elkaar twistende Wehrmacht-, Luftwaffe - en Kriegsmarine onderdelen. Niet zo lang daarna kwam een nieuw aanvalsplan van Adolf Hitler ter tafel waarin zijn oog zich nu ging richten op Rusland. Dit plan, 'Operatie Barbarossa' genaamd, werd wél uitgevoerd; op 22 juni 1941 viel Duitsland daadwerkelijk Rusland binnen. Dit had gevolgen voor de kustbewaking van West-Europa waar de Duitsers tot nog toe veel manschappen paraat hadden om een mogelijke vijandelijke geallieerde landing vanuit zee te keren. De aanval op Rusland verliep niet voorspoedig en weldra moest Duitsland massaal eenheden aan de kustbewaking onttrekken om deze naar het oostfront te kunnen dirigeren. Hierdoor verzwakte echter de kustverdediging. Hitler bedacht nu een nieuw plan waarbij hij, in de vorm van de Atlantikwall, een starre verdedigingslinie langs de West-Europese kust ontwierp bestaande uit bunkers, fortificaties, versterkingen, versperringen en loopgraven. Om deze verdedigingslinie langs de gehele kust enerzijds optimaal te kunnen laten functioneren met anderzijds een tekort aan bewakingstroepen die inmiddels voor een groot deel in Rusland waren ingezet, koos de Duitse bezetter voor een gemakkelijke oplossing. Het gebied waarin de Atlantikwall ging worden aangelegd werd tot Sperrgebiet verklaard; op grond daarvan moesten alle kustbewoners evakueren. Weg pottenkijkers dus, waardoor voor de bezetter slechts een minimum aan bewakende legeronderdelen nodig was. En hier begint het eigenlijke verhaal. Scheveningers evacueerden op grote schaal. Toen men na de oorlog in Scheveningen terugkeerde was het dorp in een totaal ander kleed gehuld. Verwoesting en vernieling van woonhuizen alom, bestrating opgebroken, loopgraven en prikkeldraadversperringen her en der, betonnen bunkers op de boulevard, een onklaar gemaakte haven met halfgezonken schepen en kapotte kades. Ik begon onderzoek te doen naar het Sperrgebiet van Scheveningen en interviewde daarvoor vele plaatsgenoten. Hun verhalen zijn hier niet van belang maar één naam keerde in verschillende verhalen steeds terug, namelijk de naam van de 'Nederlandsche Zeereddingsdienst'. Niemand kon echter de juiste feiten over de opbouw en de functie van deze Dienst noemen. Ik besloot daarom een apart onderzoek hiernaar te doen en dit is het verhaal.

2. Oprichting van De Nederlandsche Zeereddingsdienst (ZRD)

Op 1 juli 1940, dus kort na de inval op Nederland door de Duitsers, kreeg de secretaris van de tegenwoordige Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij, de heer De Booy, bezoek van een inspecteur van het Duitse Reddingswezen. Deze was overigens werkzaam op het Duitse Ministerie van Luchtvaart. De Duitser vroeg om medewerking aan een plan tot opvoering van de paraatheid van het reddingswezen langs de kust. De Booy van de reddingsmaatschappij voelde weldra gedurende de besprekingen de bui hangen; hij voerde velerlei argumenten aan waarom zijn reddingsmaatschappij niet op het Duitse verzoek tot samenwerking kon ingaan. Met steun van de Duitse Marinebefehlshaber lukte het De Booy merkwaardigerwijs zich te onttrekken aan enigerlei samenwerking met de Duitse bezetter. Hij zou het later in zijn memoires allemaal nog eens oververtellen. De Duitsers moesten nu voor hun plan naar andere wegen omzien wat dan ook gebeurde. Zij bedachten de vorming van een zo genaamd 'Lazarettverband' waarbij gevorderde Nederlandse schepen buitengaats zouden worden gestationneerd om als hospitaalschip (Lazarettschiff) reddend te kunnen optreden in geval van gebeurtenissen op zee. Voordien werden de schepen omgebouwd waarbij ze voor de herkenbaarheid werden voorzien van een groene rand die hospitaalschepen kenmerkte. Verzamelaars onder de lezers zullen zich ongetwijfeld nog wel foto's herinneren met de LAZ aanduiding op de zijde van verschillende schepen. Er bleek echter weinig animo van zeelieden om dit soort schepen te bemannen, eens temeer nadat bleek dat de Engelsen niet van plan waren dergelijke schepen als hospitaalschip te erkennen in de zin van het Verdrag van Genève. Beschietingen door Engelse oorlogsvliegers volgden dan ook weldra en wéér was dit einde verhaal. Na deze opnieuw weinig geslaagde opzet werd vervolgens voor een andere constructie gekozen. Opvallend is daarbij dat de Duitse overheid nu sterk op de achtergrond bleef. Op 25 september 1940 passeerde bij notaris Van der Giessen te Den Haag een akte, inhoudend de inschrijving van de stichting 'Nederlandsche Zeereddingsdienst'. Deze stichting was ruim een maand tevoren, op 15 augustus 1940, opgericht. Opvallend voor de goede beschouwer is ook het feit dat alles snel achtereen plaatsvond. Op 1 juli 1940 sprak men immers nog met De Booy van de reddingsmaatschappij, vervolgens werd in een geheel andere opzet het 'Lazarettverband' gevormd en toen, binnen anderhalve maand, was er weer een nieuw plan, nu voor een Zeereddingsdienst. De veel geroemde Duitse 'Gründlichkeit' was hier ver te zoeken want op een zeer rommelige wijze bleek steeds naar nieuwe wegen te moeten worden gezocht om tot het doel te raken. De notariële stichtingsakte vermeldt als voorzitter van het bestuur en directeur van de Stichting Nederlandse Zeereddingsdienst de Nederlandse Lt.ter Zee II F. Heyman uit Scheveningen. Als medebestuurleden worden, naast deze Heyman, twee jeugdige mariniersofficieren genoemd die evenals Heyman waren ingedeeld bij de zo geheten door de Duitsers opgerichte Opbouwdienst. Deze Opbouwdienst was vrijwel meteen na de capitulatie van 14 mei 1940 door de Duitsers in het leven geroepen om gedemobiliseerde militairen en marinepersoneel tewerk te stellen. Zeer velen waren door hun militaire dienstplicht werkloos geworden. Het is niet duidelijk hoe de contacten tussen de Duitsers en de drie Nederlandse officieren tot stand zijn gekomen. Waren zij N.S.B.'ers die sympathiseerden met de Duitsers waarbij zij zich voor het Duitse karretje lieten spannen? Of waren zij alleen maar argeloze lieden die dachten met de komst van de Zeereddingsdienst een hoeveelheid werkloos marinepersoneel aan werk te kunnen helpen? De geschiedenis laat ons hierover in het ongewisse. Wél is bekend dat de twee jonge mariniers Von Pohlreich en Scharroo al zeer spoedig, in februari 1941, de ZRD weer verlieten. Directeur Heyman bleef langer op zijn post. Terwijl de Duitsers de zee-officier Heyman medio augustus 1940 aan het werk zetten om de Zeereddingsdienst op te richten, spraken inmiddels diezelfde Duitsers tussen 7 en 10 september 1940 ook met het Nederlandse Rode Kruis. Men was echter wel zo handig om hierbij als bezetter buiten beeld te blijven en het initiatief van het gesprek te laten aan het Duitse Rode Kruis. De Generalführer Dr. Hesse van het presidium van het Duitse Rode Kruis voerde de eerste besprekingen. Het beeld dat uit de verslagen van de besprekingen naar voren komt is nogal verwarrend, niet alleen voor de lezer maar ook voor de Duitse bezetter zelf. Werd in het ene verslag nog de deelname aan de Zeereddingsdienst gemeld van de KNZHM, het volgende verslag weerlegde deze deelname weer. Men moest zelfs tussentijds een hoge Duitse vertegenwoordiger in Nederland bijpraten om de verschillende tegenstrijdigheden in de verslaggeving over de zojuist opgerichte ZRD uit de weg te ruimen. Uit alles werd duidelijk dat de Duitse bezetter bezig was een web te spinnen waarbij zij als betrokken derde onzichtbaar bleef en waar naar buiten toe het Nederlandse Rode Kruis en de Nederlandsche Zeereddingsdienst het boegbeeld moesten vormen. Op dat crusiale moment liep het tot dan toe neutrale Nederlandse Rode Kruis in de val en ging het zeer in de fout: dit zal later duidelijk blijken. Zeer kort na de besprekingen tussen het Duitse en het Nederlandse Rode Kruis - we zijn nog steeds in de maand september van het jaar 1940! - ontstond een eerste contact tussen het Nederlandse Rode Kruis en directeur Heyman van de Nederlandsche Zeereddingdienst. In de stichtingsakte staat het doel van de ZRD omschreven. Wij lezen: 'De Stichting heeft ten doel de redding van schipbreukelingen uit Zeenood voor de Nederlandsche kust onverschillig welke nationaliteit'.

3. Het Nederlandse Rode Kruis

Weliswaar klonk alles wat in de stichtingsakte stond aangegeven redelijk en neutraal maar, gezien de aanwezigheid van enkele goede landelijke reddingsmaatschappijen, was een stichting als een ZRD in feite nogal overbodig. Een geheim Duits verslag met als datum 30 september 1940 en met in de kop het stempel 'Vertraulich' laat de aap uit de mouw komen: de enige ware belanghebbende bleek de Duitse bezetter te zijn. Het verslag verwijst naar besprekingen die van 7 tot 10 september 1940 tussen het Duitse Rode Kruis, een Duitse vertegenwoordiger van Buitenlandse Zaken en het Nederlandse Rode Kruis hebben plaatsgevonden. Dat is dus nádat men met de heer De Booy van de tegenwoordige Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij had gesproken, maar vóór de heer Heyman als directeur van de Zeereddingsdienst met het Nederlandse Rode Kruis in contact kwam. Woordelijk vermeldt het vertrouwelijke verslag dat de ZRD onder veranwoordelijkheid van de Wehrmachtsmarine zou worden gesteld. Voorts deelde de directeur Heyman bij de allereerste onderhandelingen met het Nederlandse Rode Kruis aan het Rode Kruisbestuur mee dat de ZRD was opgericht op verzoek van de Rijkscommissaris voor de bezette Nederlandse gebieden. Overigens was het artikel 3 van de oprichtingsakte van de ZRD, en waarin werd vermeld dat de Stichting Nederlandse Zeereddingsdienst beschikte over een stichtingskapitaal van f. 50.-, enerzijds nogal opmerkelijk. Want anderzijds zegde de ZRD tijdens het eerste overleg met het Nederlandse Rode Kruis bij monde van haar directeur Heyman een bankgarantie van f. 100.000.- aan hetzelfde Nederlandse Rode Kruis toe. Op de vraag van de heer Van Lynden van het Nederlandse Rode Kruis waar dit geld vandaan kwam gaf Heyman ten antwoord dat de financiëring plaatsvond via de Wehrmachtsbefehlhaber in den Niederländen, General Christiansen. En ja, op dat moment had bij het Rode Kruisbestuur een lampje moeten gaan branden; hun neutraliteit kwam door dit Wehrmachtgeld volledig in het gedrang. Waarom, zult u vragen? Welnu, in de overeenkomst tussen de ZRD en het Nederlandse Rode Kruis met als datum 7 oktober 1940 wordt vermeld in artikel 1: 'De Stichting stelt zich ter beschikking van het Nederlandse Rode Kruis met een aantal schepen met het doel ter zee hulp te verlenen aan gewonden, zieken en schipbreukelingen.' Een merkwaardige doelstelling voor een - toch neutraal geachte - Rode Kruisorganisatie die zich met zeereddingswerk normaliter niet bezighoudt, een doelstelling voorts die met Duits Wehrmachtkapitaal ging worden gefinancierd. Het was duidelijk: het Nederlandse Rode Kruis moest de dekmantel gaan vormen voor een, voor militair oogmerk opgezet, doel. Even verder doordenkend had men toch wel kunnen weten dat alles in die tijd stond in het teken van de oorlog. Alle gevoerde besprekingen vormden in feite de basis voor een Duits plan tot opvoering van de paraatheid van het reddingswezen langs onze kust, dit naar een voorbeeld van Duitsland. Daar lagen buitengaats in de Duitse Bocht reddingsschepen destijds dag en nacht klaar in staat van de hoogste paraatheid. Men kon direct uitrukken in geval van enigerlei nood op zee. Dat de Duitse inspecteur van het reddingswezen, die de eerste gesprekken met de heer De Booy van de reddingsdienst leidde, werkte bij het Duitse Ministerie van Luchtvaart was geen toeval. Zoals tevoren al is aangegeven vlogen vanaf mei 1940 grote formaties Duitse oorlogsvliegtuigen over de Noordzee richting Engeland om daar zware bombardementen uit te voeren. Echter, niet elk vliegtuig zou ongeschonden vanuit Engeland terugkeren… Het eerder genoemde bezoek van de Duitse inspecteur aan de secretaris van de tegenwoordige Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij de heer De Booy wordt nu duidelijk. De door de Duitser gezochte verhoogde paraatheid van ons reddingswezen had in feite betrekking op het redden van Duitse vliegers die bij of boven Engeland zouden worden aangeschoten ten gevolge waarvan zij in zee dreigden te storten. De Nederlandse historicus dr. L. de Jong schetst overigens in zijn geschiedenis over de Tweede Wereldoorlog over dit onderwerp een wat ander beeld. In de tijd waarover hier wordt geschreven speelden eveneens de Duitse invasieplannen op Engeland. De Jong suggereert nu dat de gewraakte reddingsschepen de invasievloot hadden moeten begeleiden. Deze suggestie is mijns inziens aan twijfels onderhevig. De status van de schepen stond overigens nog niet geheel vast. Enerzijds sprak men over 'reddingsschepen' terwijl anderzijds het woord 'hospitaalschepen' werd gehanteerd. Naar aanleiding van de woorden van De Jong moet worden opgemerkt dat in een later gesprek - in september 1940 - tussen de de ZRD en het Nederlandse Rode Kruis door de ZRD-directeur is gestipuleerd dat '...bij een eventuele aanval in Engeland de ZRD schepen niet verplicht kunnen worden de invasievloot te volgen en dat men zich zou houden aan de patrouillering op 10 mijl buiten de Nederlandse kust.'

4. De personele en materiële invulling

Uit summiere gegevens die zijn aangetroffen in het Rode Kruisarchief wordt niet helemaal helder hoe de samenwerking tussen de twee participanten zou moeten gaan verlopen. Het wekt de indruk dat het Nederlandse Rode Kruis de inrichting van de ZRD-schepen zou gaan verzorgen waarbij naast het element 'redden' in hoge mate aan het element 'gewondenverzorging' aandacht zou worden besteed. De bemanningen van de ZRD-schepen zouden Rode Kruisarmbanden dragen en zouden Rode Kruis-identiteitsbewijzen krijgen. De praktische leiding zou in handen worden gelegd van twee artsen; deze zouden dan worden geassisteerd door een twaalftal ziekenverplegers. Ook was het de bedoeling dat de bemanningen van de ZRD-schepen een E.H.B.O.-opleiding zouden krijgen. Vermoedelijk werden de salarissen van de bemanningen betaald door de ZRD en die van de artsen en van de verplegers door het Nederlandse Rode Kruis. Deze organisatie kon in dat verband beschikken over de eerdergenoemde bankgarantie van f. 100.000.- die de ZRD voor het Nederlandse Rode Kruis beschikbaar zou stellen. Steeds opnieuw zou deze bankgarantie worden aangevuld wanneer de gedoneerde som voor de diverse noodzakelijke uitbetalingen zou zijn aangesproken. Door het Nederlandse Rode Kruis werd nu daadwerkelijk een inspecteur benoemd. Het betrof opnieuw iemand uit de kringen van de Koninklijke Marine. Het ging om de heer J.A. Sonnenberg, een Kapitein ter Zee buiten dienst. De oud-marineman Sonnenberg werd betaald door het Nederlandse Rode Kruis waarna de ZRD het uitbetaalde bedrag aan het Rode Kruis restitueerde. Inspecteur Sonnenberg diende te controleren of de voorschriften van het Verdrag van Genève met betrekking tot zee-oorlog wel in alle opzichten werden nageleefd op de ZRD-vloot. Hij moest verder de betrokken schepen, de journalen, de scheepspapieren en andere relevante zaken controleren. Tevens moest hij oog houden op de uitgereikte Rode Kruisarmbanden en op de uitgereikte Rode Kruis-identiteitspapieren. Hij moest daarnaast verslag uitbrengen aan het Hoofdbestuur van het Nederlandse Rode Kruis en moest een afschrift van zijn rapport toezenden aan de directeur van de ZRD. Het is bij dit alles nogal opmerkelijk dat door niemand is afgewacht hoe de geallieerden - en hoe met name de Engelsen - tegenover dit fenomeen zouden staan. Weliswaar troostte men zich met de gedachte dat de Duitse Wehrmacht had toegezegd, de Engelse regering van het bestaan van deze schepen en van hun functie op de hoogte te stellen, maar een antwoord van de Engelsen kwam nooit. En de vraag lijkt daarom gewettigd of in die - voor de Duitsers nogal turbulente - tijd van de Blitzkrieg ooit enige mededeling aan de Engelse regering is toegezonden. Het Nederlandse Rode Kruis geeft in jaarverslagen van die tijd aan dat het ging om 20 grotere en 6 kleinere vaartuigen. Andere verslagen geven echter hogere aantallen weer die zelfs een vloot van 35 ZRD-schepen omvatten. Wellicht is in het laatstgenoemde getal een zekere hoeveelheid van de vaartuigen opgenomen welke kort daarna door de Duitse Kriegsmarine zouden worden geconfisqueerd. Over de eveneens voor de ZRD ingezette Scheveningse loggers straks meer. Zoveel is duidelijk: deze vielen zeker niet onder de Rode Kruis-vloot. De echte ZRD-schepen zouden varen onder de Nederlandse vlag en daarnaast onder de vlag van het Nederlandse Rode Kruis. Op de wanden van de schepen zou het Rode Kruisteken worden aangebracht en de oorspronkelijke lettercodering LAZ op de schepen zou worden verwijderd. Zij zouden nu op hun flanken de letters ZRD met daarbij een registratienummer gaan voeren. Rode Kruisverslagen van die tijd noemen de hospitaalinrichtingen van de schepen goed; afhankelijk van de grootte van de vaartuigen varieerde het aantal aanwezige hospitaalbedden van 3 tot 20 stuks.

5. De Nederlandsche Zeereddingsdienst in de praktijk

Het kantoor van de ZRD werd gevestigd op het adres Gevers Deynootweg 41 te Scheveningen. Men beschikte op het bureau over omstreeks 14 personeelsleden. De ZRD-vloot werd rond het eind van 1940 bemand door ongeveer 300 zeelieden. De ZRD-directeur Heyman werd bijgestaan door een ex-militair, H. Blom. Deze had als onderofficier gediend onder Heyman en was, evenals zijn meerdere, na de capitulatie in de Opbouwdienst tewerkgesteld. Hij werd in augustus 1940 door Heyman bij de ZRD binnengehaald en werd daar weldra chef personeel. Maar helaas, het praktische nut van de ZRD bleek intussen ruimschoots achterhaald. De Duitse invasie op Engeland was door interne verdeeldheid binnen het Duitse militaire apparaat buiten beeld geraakt. Het waandenken met betrekking tot een invasie op de Engelse kust ging in de loop van 1941 plaats maken voor een ander plan. Daarbij dacht Duitsland, zich meester te kunnen maken van het grondgebied van de Sovjet-Unie. De ogen zouden zich nu gaan richten op een oostelijk oorlogsfront en voor zover er vóór onze kust op zee nog iets moest worden gered, zou dit door de Duitse oorlogsvloot zélf worden gedaan. En aldus werd de ZRD bewust of onbewust buitenspel gezet. Er ontstonden weldra problemen toen schepen van de ZRD opdracht kregen om sleepdiensten te verrichten voor de Duitse bezetter. Dit kon niet, gezien de Rode Kruis-status van de schepen en in 1941 werd er dan ook, naast de ZRD, een zogeheten Nederlandsche Zeesleepdienst opgericht. Meteen verhuisden daarheen zo'n 13 tot 14 schepen van de ZRD. Ook de betrokken bemanningen moesten overstappen en hun Rode Kruis-status inleveren. Dit ging gepaard met veel dwang van de zijde van de Duitse bezetter en met veel bezwaren van de kant van de Nederlandse zeelieden. Deze sleepdienst wordt, bij gebrek aan werkelijk feitenmateriaal, verder buiten beschouwing gelaten. Wel is duidelijk geworden dat de schepen zich veelal bezighielden met het slepen van doelen in zee; deze dienden voor schietoefeningen vanaf de kust door de Duitse Wehrmacht. Hoe dan ook, ondanks het gezwollen artikel van medio 1941 in 'Die Deutsche Zeitung in den Niederländen', dit met betrekking tot allerlei heldhaftige verrichtingen van ZRD-personeel op zee, was en bleef de Zeereddingsdienst een wassen neus. Want in werkelijkheid bleek de komst van de Nederlandsche Zeesleepdienst het bankroet van de Zeereddingsdienst te gaan inluiden alhoewel ze in theorie bleef bestaan. Het is in dit verband interessant, even in te gaan op een na-oorlogs verslag dat betrekking had op een gedetineerde arts. Het verslag werd tijdens een verhoor in een strafkamp opgetekend uit de mond van een van de beide toenmalige ZRD-artsen; de bewuste arts was tevens een NSB-er. Hij vertelde dat al in de zomer van 1941 binnen de Zeereddingsdienst personeel werd geworven dat zou gaan deelnemen aan een zogenaamde Nederlandse Ambulancedienst. Deze Ambulancedienst zou door het Nederlandse Rode Kruis worden opgericht. Het Nederlandse Rode Kruis zou voor de op te richten Dienst materiaal leveren en ambulances inrichten. De opzet was, aan het intussen ontstane oostfront, waar nodig, hand- en spandiensten te gaan verrichten. Alhoewel niet duidelijk is aangegeven aan wie deze diensten zouden moeten worden verleend, ligt het voor de hand dat ze vooral ten goede zouden moeten komen aan de strijdende Wehrmachtsoldaten aan het oostfront. Het is dan ook bijna zeker dat het plan uit een Duitse koker kwam. Nog los van de duidelijkheid over een - opnieuw - twijfelachtige rol van het Nederlandse Rode Kruis dat zich wéér voor het Duitse karretje leek te laten spannen, wordt uit het verslag van de ZRD-arts eveneens duidelijk dat de ZRD in het midden van 1941 zichtbaar en merkbaar al werd uitgehold vanwege haar volkomen achterhaalde taakstelling. Hoe snel de mate van belangrijkheid van de Zeereddingsdienst afnam mag blijken uit het feit dat er op 1 januari 1942 van de 26 vaartuigen nog maar 12 schepen over waren. In januari 1943 had men nog slechts vier en eind 1943 nog maar drie schepen beschikbaar. Deze drie schepen, de ZRD 10 - ex hospitaal-kerkschip 'De Hoop' -, de ZRD 14 - de ex trawler IJM 266 - en de ZRD 50 - een ex politie-inspectievaartuig - waren respectievelijk gestationeerd te Hoek van Holland, te IJmuiden en te Scheveningen. De ZRD 50 werd uiteindelijk eveneens door de Duitse Kriegsmarine gevorderd en de overige twee zullen een wat sluimerend bestaan hebben geleefd bij gebrek aan wat voor hospitaal- of reddingswerk dan ook. Zoals al eerder werd aangegeven verdwenen de overige schepen naar de Nederlandsche Zeesleepdienst terwijl wéér andere schepen door de Kriegsmarine werden gevorderd om voor marinetaken te worden ingezet. Toch zou, figuurlijk beschouwd, het wrakke schip ZRD nog enkele jaren lang op een ándere wijze blijven doordobberen. In juli 1942 nam de directeur Heyman, nadat hij in conflict was gekomen met de Duitse bezetter, zijn ontslag. Het aan boord plaatsen door de Wehrmacht van Duitse militairen op de feitelijk neutrale ZRD-schepen zou, naar verluidt, hiervan de oorzaak zijn geweest. Een nieuwe directeur trad aan en wel in de persoon van W.R. van Haga, een ex-stuurman van de grote vaart en een overtuigd NSB'er. Zo dadelijk meer hierover alsook over de geheel nieuwe rol voor de ZRD: zij ging vissen...

6. Vissen in troebel water

Wanneer op 14 juli 1941 de ex-stuurman ter koopvaardij W.R. van Haga spreekwoordelijk het roer van het ZRD-schip overneemt, is het scheepje al begonnen min of meer nutteloos rond te drijven. De loop van de geschiedenis heeft aan het schip zijn eerdere koers ontnomen en de ZRD vervolgt nu als een soort spookschip haar doelloze reis. De directeur en ex marine-officier Heyman en zijn twee mede-oprichters, de officieren der mariniers Von Pohlreich en Scharroo zijn thans van het toneel verdwenen; wel is gebleven de oud-militair H. Blom die als chef personeel eveneens een man van het eerste uur was. Hij werkt vanaf nu rechtstreeks onder Van Haga. Deze directeur blijkt een een weliswaar vriendelijke, maar weinig krachtige man te zijn die de kunst van het leidinggeven in het geheel niet verstaat. Hij zoekt steeds de weg van de minste weerstand en lijkt tevreden te zijn met zijn comfortabele baan waar hij zich maar met weinig zaken behoeft te bemoeien. Intussen plukt de Duitse bezetter de ZRD steeds meer kaal; haar lot lijkt bezworen. Dan krijgt de geschiedenis een vreemde wending: de Duitsers bedenken een even bizar als uniek plan. De ZRD zal schepen gaan uitreden die zullen gaan vissen op de Noordzee vóór de kust van Scheveningen. Hier wordt een duidelijke overeenkomst zichtbaar tussen de ZRD en een andere Duitse maritieme organisatie; deze was toen gevestigd te IJmuiden.Voor meer duidelijkheid in dezen is het nodig te weten dat de contacten tussen de ZRD en de Duitse overheid slechts verliepen via één tussenpersoon. Het ging om de Duitse marine-officier Bauernfeind. Het is daarbij opmerkelijk dat de genoemde Bauernfeind óók de touwtjes in handen had bij een geheime Duitse marineorganisatie, de Marineaussenstelle Overveen (M.A.O.), Abteilung I (Referat I M) en onderdeel van de Duitse Sicherheitsdienst. Deze organisatie liet door middel van zogenaamd vissende loggers spionnagewerkzaamheden op zee verrichten. Over deze organisatie en over enkele daaraan verbonden Scheveningse vissers verscheen op 29 augustus en 24 oktober 2007 een relaas in 'De Scheveningsche Courant'. Het vertelt over een stuurman van de spionnagelogger KW 110 die met behulp van de bemanning de schipper van die logger overmeestert en met het schip en de bemanning naar Engeland uitwijkt. Het was Bauernfeind die Van Haga binnenhaalde bij de ZRD. Buiten Bauernfeind was er geen enkele persoon die de relatie tussen de ZRD en de bezettende macht in stand hield. Het is ook Bauernfeind die begin 1942 de directeur Van Haga op de hoogte brengt van de Duitse visserijplannen. Zes Scheveningse loggers en één schokker worden nu aan de ZRD ter beschikking gesteld waarbij men zich af kan vragen op welke wijze deze schepen aan hun eigenaars zijn ontnomen. Ging het hier om een vordering of om een huurovereenkomst en, voor zover het een huurovereenkomst betrof, was deze dan afgedwongen met het pistool op de borst? Tevens wordt aan de ZRD een volledige rederij beschikbaar gesteld. Het ging om een bedrijf aan de Tweede Binnenhaven dat compleet, vistuig inbegrepen, werd overgenomen van de Scheveninger Simon Taal. Aan het bedrijf worden namens de ZRD enige Scheveningers verbonden die de zaken aan de wal behartigen. Zo wordt J. Verbaan, een latere gezagvoerder van het Nederlandse passagiersschip 'Oranje', een soort walbaas. Hij gaat voornamelijk over de visserijzaken. D. Toet, een voormalige koopvaardijman, krijgt zeggenschap over de handel en over de verzending van de vis. De Katwijker A. Ouwehand wordt de man voor de inkoop van alles wat een visserijbedrijf nodig heeft. Tenslotte wordt een aantal zeelieden in dienst genomen waaronder Scheveningers, Vlaardingers, IJmuidenaren en Zeeuwse vissers die allen, hetzij als matrozen, hetzij als schippers of als stuurlieden, deze vissersvloot zullen gaan bemannen. Een van deze mannen was W.F. Rog, de latere kapitein van het hospitaal-kerkschip 'De Hoop'. Ik sprak met hem over zijn werk in dienst van de ZRD vissersvloot. Rog trad maart 1941 in dienst van de ZRD. Hij werd matroos op de ZRD 10, het oude hospitaal-kerkschip 'De Hoop'. Toen de visserij-aktiviteiten in begin 1942 een feit waren geworden, werd hem aangeboden, schipper te worden op een van de andere schepen van de ZRD. Rog koos voor de kleinste, de schokker SCH 76. De schepen lagen in de Tweede Binnenhaven bij de oude hijskraan. Ze waren alle voorzien van een ZRD-nummer maar waren niet wit geschilderd en hadden geen rood kruis op de flanken. De vissende schepen, in dienst van de ZRD, vielen niet onder de protectie van het Nederlandse Rode Kruis zoals de andere schepen. Naast het vissen bleef het op papier hun taak, reddend op te treden ingeval van nood op zee. Dit was echter een wassen neus daar van in zee gestorte vliegers intussen geen sprake meer was. Nu wordt ook de overeenkomst zichtbaar met IJmuiden waar Duitse militaire leidinggevenden (Bauernfeind, Strauch), gebruikmakend van hun spionnagebezigheden ter zee (Referat I M), zichzelf tevens financieel bevoordeelden door middel van de, door hun schepen aangevoerde, vis. Immers, de Noordzee was intussen door de oorlogshandelingen en door de nauwelijks daar vissende schepen rijk aan vis geworden. Formeel werd voor de ZRD-schepen gesteld dat deze ogenblikkelijk de lijnen van de netten moesten kappen bij een noodoproep van enigerlei drenkeling. Er werd zelfs een aantrekkelijke premie van f. 500.- aangeboden bij het redden van een in zee belande piloot.

7. De ZRD-visserij in de praktijk

Dagelijks voer de ZRD-vloot uit waarbij door de Duitse havenautoriteiten werd geëist dat de schepen, evenals een klein aantal andere nog vissende schepen, de 3-mijlszône niet zouden overschrijden. De Scheveningse haven werd destijds bewaakt door een Hafenüberwachungsstelle van de Duitse Kriegsmarine. Daar zetelde - in het oude semafore - de havencommandant Jacobs. Ook was bij het semafore een marine-eenheid voorhanden. De haveningang was verder afgegrendeld door een dwarsliggende logger en een zware ketting. Een nauwgezette controle ging vooraf aan het uitvaren van vissersschepen. Naast de ZRD-vloot waren er wat andere schepen die dagelijks mochten vissen. Ook voeren twee vissersscheepjes, de schokkers SCH 71 en IJM 213, uit met aan boord Duitse militairen. De bewakingsschepen moesten de vissende vloot binnen de 3-mijlszône houden en vluchtpogingen van de schepen richting Engeland voorkomen. Ooit werden schipper Rog en twee anderen na binnenkomst bij havencommandant Jacobs geroepen. Zij bleken de 3-mijlszône te hebben overschreden; de havencommandant Jacobs verkocht aan één schipper die aanvankelijk nog ontkende een forse dreun. De drie mannen kregen in afwachting van een voorgeleiding voor het Kriegsgericht een vaarverbod opgelegd. Jacobs stelde tussentijds aan de mannen een afkoopsom voor van f. 500.- die de mannen maar al te graag betaalden. Jacobs aanvaardde de bedragen in dank en verscheurde voor hun ogen de processen-verbaal die voor het Kriegsgericht bestemd waren. Zoals reeds werd opgemerkt was de visserij in die jaren goed tot overvloedig te noemen. De aanvoer was zo groot dat de ZRD een deel van het rederij-erf van A.v.d. Toorn bijtrok om dit als visverwerkende ruimte te gebruiken. De vis werd zoveel mogelijk gerookt en daarna gefileerd en verpakt. De bestemming leek duidelijk: aan het oostfront leden Duitse militairen onder kou en honger als gevolg van de mislukte veldslag tegen Rusland. Een deel van de verse vis ging naar Duitse eenheden in den lande. De aanvoer was echter zo ruim dat de ZRD ook vis kon verkopen aan instellingen als ministeries en dergelijke. Daarnaast zal vrijwel zeker, evenals bij de eerdergenoemde Duitse instantie Referat I M te IJmuiden, een ruime hoeveelheid vis haar weg hebben gevonden naar een wat meer obscuur circuit en zullen opbrengsten zijn terechtgekomen bij Duitse leidinggevenden die onzichtbaar boven de ZRD 'zweefden'. Van Haga was - vanwege de evacuatie - met zijn kantoor eerst naar de Badhuisweg en later naar de Bezuidenhoutseweg verhuisd. Hij liet zich weinig zien aan de haven ondanks het feit dat de ZRD inmiddels een omvangrijk bedrijf was geworden. Zo'n 50 tot 80 man waren aan de wal werkzaam bij het roken en fileren van vis, het sorteren ervan, het verzorgen van schepen en netten en de proviandering van de vloot; op zee viste vervolgens nog zo'n 50 man. Men kende geen werkelijke problemen want alles wat nodig was kon worden gekocht. Olieproblemen zoals deze voor andere vissers golden, bestonden niet voor de ZRD. Het geld dat uit een geheimzinnige bron vloeide bleef stromen en men kan zich afvragen hoeveel geld er is verdiend aan vis die niet aan de Duitse Wehrmacht is geleverd maar op een andere, minder legale wijze, in de verkoop is gegaan. Er was generlei controle op de financiële gang van zaken en de directeur Van Haga, die ik indertijd interviewde, kon op geen enkele wijze aangeven waar enerzijds het geld vandaan kwam of waar anderzijds de ontvangsten naartoe gingen. Het kon hem in feite ook niet schelen want alles verliep naar wens; er werd geen balans opgemaakt en er waren geen jaarrekeningen. Niemand controleerde iemand en aan geld was geen gebrek. Van Haga verwees tijdens ons gesprek dan ook steeds naar zijn rechterhand Blom, op wie de ZRD in feite steunde. Uit alle gesprekken en uit verslagen komt Blom naar voren als een wat boerse, provinciale man, kleinsteeds en niet erg op zijn plaats in de grote stad. Maar hij lijkt wél een echte boekhouder te zijn geweest en een goede administrateur die de touwtjes strak in handen hield. Dit zou later blijken uit na-oorlogse verslagen in het dossier van het Nederlandse Rode Kruis.

8. Het roemloze einde

Toen kwam de invasie van 1944 en vervolgens de periode waarin alles wat Duits of Duitsgezind was nog slechts angstig af kon wachten wat er verder zou gaan gebeuren. Velen namen, vooruitlopend op de te verwachten gebeurtenissen, al de benen. De ZRD-directeur Van Haga was intussen met zijn bureau beland aan de Bezuidenhoutseweg. Op de Dolle Dinsdag, de beroemde en/of beruchte dag van september 1944, bereikte Van Haga een telefoontje van de inmiddels naar Amsterdam uitgeweken contactman Bauernfeind. Tot dan toe was deze hoge militair gezeteld geweest in het hoofdkantoor van de Sicherheitsdienst dat was gevestigd in een groot hotel aan de Gevers Deynootweg te Scheveningen. De grond was echter ook te heet geworden onder diens voeten zoals onder die van vele anderen. De opdracht van Bauernfeind aan Van Haga omvatte kortweg de vernietiging van de ZRD-administratie, het ontslag van al het ZRD-personeel en de sluiting van het kantoor aan de Bezuidenhoutseweg. Van Haga, die vanwege de ontwikkelingen aan het westelijke en oostelijke front op het vinkentouw zat, liet zich dit geen twee keer gezeggen. Hij vorderde een papiervernietigingsbedrijf om langs te komen en de gehele aanwezige administratie mee te nemen en die in snippers of in rook te laten verdwijnen. Van Haga vertrok met zijn vrouw naar Leeuwarden van waar hij destijds naar Scheveningen was gehaald. De ZRD-vloot bleef sindsdien aan de kant. De schippers en bemanningen lieten zich niet meer zien, dit eens temeer omdat de Duitse Kriegsmarine wilde dat zij de schepen naar Duitsland zouden overbrengen. In het verdere lot van deze schepen heb ik mij niet verdiept omdat ik dit - binnen het kader van de voorliggende geschiedenis - niet van belang achtte. Ook het rederij-erf, de rokerij en de pakkerij zullen vermoedelijk van het ene moment op het andere door iedereen zijn verlaten. Het zou uiteindelijk niet de incompetente, zwakke Van Haga, maar juist de wat boersige, maar consequente en sterkere tweede man Hendrik Blom zijn, die de deur van de ZRD ging dichttrekken. Twee schepen waren namelijk nog steeds als oorspronkelijk hospitaalschip in dienst van de ZRD en wel namens het Nederlandse Rode Kruis. En nog steeds lagen via de ZRD-administratie enkele schepen van de Zeesleepdienst paraat; deze behoorden dus niet tot de Rode Kruisvloot. Ze leidden langs de wallenkant een sluimerend bestaan.Via Duitse telefoonverbindingen gaf Blom aan de schippers van de schepen door, te handelen naar omstandigheden. Dit was voor iedereen het teken om onder te duiken. Het hospitaalschip ZRD 14 ging weldra in Zeeland ten onder en nadat de bemanning van de ZRD 10 had geweigerd voor de Duitsers in konvooi te varen, werd het schip door de bezetter geconfisqueerd. Blom, intussen verhuisd van het leeggelopen ZRD-kantoor naar het pand van het Nederlandse Rode Kruis - waar hem een kamer werd toegewezen - bereikte nog dat aan de ondergedoken bemanning een ontslagbewijs werd verstrekt. Hierdoor konden zij aan distributiebescheiden komen voor bonkaarten en dergelijke. Tevens regelde Blom dat al het ZRD-personeel tot 1 oktober 1944 salaris zou worden uitbetaald in plaats van tot 2 september, het moment waarop alles escaleerde. Voor deze salarissen maakte Blom uit de ZRD-kas f. 30.000.- over naar het Nederlandse Rode Kruis dat op zijn beurt het ZRD-personeel zou uitbetalen. Het ging hierbij om een totaalbedrag van omstreeks f. 20.000.- aan salarissen. De afspraak tussen Blom en het Nederlandse Rode Kruis luidde voorts dat de resterende f. 10.000.- als schenking aan het Nederlandse Rode Kruis zou toekomen. Toen trok ook Blom de deur van de ZRD achter zich dicht! Wie schetst, aldus een later door hem afgelegde schriftelijke verklaring, zijn verbazing toen Blom na de oorlog en intussen in dienst van het Nederlandse Rode Kruis, documenten tegenkwam waaruit viel op te maken dat de schenking van f. 10.000.-, bedoeld voor het Rode Kruis, een andere bestemming had gekregen. Volgens de verklaring van Blom bleek uit de aangetroffen documenten dat de toenmalige Secretaris-Generaal van het Nederlandse Rode Kruis, de N.S.B.'er Piek, een geldbedrag van f. 10.000.- via een cheque betaalbaar had gesteld bij de toenmalige Twentsche Bank. En volgens Blom was de gelukkige begunstigde zijn voormalige ZRD-directeur. Deze ontkende dit overigens in het vraaggesprek dat ik na de oorlog met hem had. De verklaringen van Blom maakten deel uit van het ZRD-dossier binnen het Rode Kruisarchief. En zo ging in het troebele water van waaruit ze ooit was opgerezen, de Nederlandsche Zeereddingsdienst weer ten onder in een even troebel water. Bronnen: Nationaal Archief. Het Nederlandse Rode Kruisarchief Gemeente De Haag. Jaarverslagen 1940 -1945 Jong, dr. L. de 'Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog' Booy, H. Th. de 'Tusschen mijnen en grondzeeën' 'Die Deutsche Zeitung in den Niederländen' 'De Scheveningsche Courant' Bandopname vraaggesprek W.R. van Haga dd. 11.05.1983 Bandopname vraaggesprek A.F. Ouwehand dd. 15.08.1983 Bandopname vraaggesprek W.F. Rog dd. 07.09.1983 Bandopname vraaggesprek J.J. Verbaan dd. 23.10.1982 N.B. Deze tekst werd in een wat afwijkende vorm eerder gepubliceerd in het boek 'Scheveningen Sperrgebiet' en in het tijdschrift 'De Blauwe Wimpel'
© Piet Spaans 2009 historisch publicist en auteur Den Haag Holland
...terug ...home Geplaatst op 22-01-2009 en 499 keer gelezen
Like dit 205 Liked