Deel 1 Deel 2

De verdwijning van de spionagelogger KW 110 .
in 2 delen

Zeerisico

“Het Departement van Waterstaat, Afdeeling Vervoerswezen, ‘s-Gravenhage, 28 November 1942. De Secretaris-Generaal van het Departement van Waterstaat, gelet artikel 12 van de Zeeongevallenwet 1919, gelet de terzake ingekomen ambtsberichten, heeft goedgevonden: te bepalen dat de, ingevolge het eerste lid van het bovengenoemde artikel, vast te stellen termijn inzake het vermoedelijke vergaan van den motorlogger ‘Gijsbert Karel van Hogendorp’, KW 110, en het vermoedelijke overlijden van zijn bemanning heden als geëindigd moet worden beschouwd, en dat aangezien binnen dezen termijn geen bericht van of omtrent het genoemde vaartuig is binnengekomen, noch eenig bericht, dat zijn bemanning nog in leven is, dat vaartuig voor de toepassing van de Zeeongevallenwet 1919 wordt geacht te zijn vergaan en de bemanning te zijn overleden op 30 Augustus 1942.” De inhoud van deze officiële bepaling leidde in de vissersdorpen langs de Hollandse Noordzeekust tot schrik en vertwijfeling; in Scheveningen overheerste de verbijstering. Van de dertien op de monsterrol van de KW 110 voorkomende vermiste mannen waren er immers elf uit Scheveningen afkomstig? De vermiste veertiende man kwam om hem moverende redenen niet voor op de monsterrol. Zijn officiële aanwezigheid op het schip zou in meerdere opzichten tot ongewenste informatie hebben kunnen leiden. Voor de nabestaanden van de bemanning resteerde hoe dan ook achterliggend slechts de schrale troost, dat zij een uitkering zouden ontvangen vanuit het fonds Zeerisico. Meerdere publicaties In het boek Oranjehaven (1992) beschreef de toenmalige journalist Paul van Beckum een dertiental oorlogsgebeurtenissen. Een van deze door Van Beckum beschreven gebeurtenissen zou een veelzeggende verwijzing worden naar een web van Duitse maritieme spionage in de Tweede Wereldoorlog. De Noordzee vormde daarbij het werkterrein en Nederlandse vissersschepen het te hanteren gereedschap. In maart 1997 via het tijdschrift Opmaat, in oktober 2003 via het maandblad Check Point en in augustus 2007 via het huis-aan-huisblad De Scheveningsche Courant kwam het verhaal van Van Beckum opnieuw in de publiciteit. Een vissersschip, de motorlogger KW 110 van de IJmuidense rederij L. Parleviet Nzn., had daarin een centrale rol. Omstreeks die tijd, in augustus 1942, was het bewuste vissersschip zojuist door de rederij Parlevliet en door enkele andere belanghebbenden in handen gesteld van de Scheveningse schipper Pieter Grootveld Sr. Gesprekken met Strauch Grootveld was bekend met de, vanaf Nederlandse vissersschepen bedreven, maritieme Duitse spionageaktiviteiten. Want al eerder, in oktober 1941, had hij met de kotter IJM 225, ‘Sursum Corda III’, van de IJmuidense rederij Schipper & Van den Oever, en vergezeld van de beruchte en door de geallieerden zeer gezochte vertrouwensman Willem Anton Jacob Maarleveld, zee gekozen vanuit IJmuiden. Jan Dirk Vader, een Nederlandse leidinggevende binnen de Hafenüberwachungsstelle van IJmuiden, bezorgde Grootveld zijn plek als schipper. Zijn toenmalige, twijfelachtige, houding plaatste schipper Grootveld in zijn eigen omgeving in een wat opmerkelijk daglicht. Uit een eerdere, hier gepubliceerde, reeks artikelen bleek dat de regie van de spionage ter zee door vissersschepen, uitvarend vanuit IJmuiden, in haar geheel berustte bij de Duitse Kriegsmarineofficier en Abwehrmann Fritz Strauch. Deze had de leiding over de zogeheten Marine Aussenstelle Overveen (MAO). De eerste ontmoeting van Grootveld met Strauch is terug te vinden in een bundeling van Engelstalige rapporten die op 7 november 1942 en op 3 mei 1944 werden opgemaakt in het Engelse interneringskamp Camp 020. De tekst die op de ontmoeting betrekking heeft luidt als volgt: “Vader zorgde voor een ontmoeting tusschen Strauch en Grootveld in Hotel Nr. 1 te IJmuiden en bij deze gelegenheid vroeg Strauch, die tot nog toe een vreemde voor Grootveld was geweest, om dien avond om 8 uur in Bloemendaal bij hem te komen. Grootveld ging naar Strauch overeenkomstig de afspraak. Laatstgenoemde, die Nederlandsch sprak met een Duitsch accent, stelde hem vragen over verscheidene punten en in het bijzonder of hij bereid zou zijn schipper te worden op een logger voor de haringvisscherij en of hij de voor dit soort werk noodzakelijke moed zou hebben. Grootveld verklaarde zich hiertoe bereid en ging er mede accoord dat hij voor een bemanning zou zorgen.” Vertrouwensman Een vertrouwensman, Johannes Albertus Dijkstra, die, naar later zou blijken, met schipper Pieter Grootveld Sr. op de KW 110, ‘Gijsbert Karel van Hogendorp’, ter visserij zou uitvaren, gaf in een na-oorlogs verhoor aan hoe hij destijds in contact was gebracht met schipper Grootveld en tevens waar en in wiens gezelschap. Het proces-verbaal met een deel van de weergave van Dijkstra’s verklaring, afgelegd op 1 juli 1946 aan de Nationale Opsporingsdienst, luidt als volgt: “Op Vrijdag 21-08-1942 kreeg hij (Dijkstra; auteur) opdracht om zich te melden op het bureau van Parlevliet (betrokken reder: auteur) en toen hij daar aankwam werd hij begroet door Strauch. Laatstgenoemde deelde hem mede dat de KW 110 klaar was om zee te kiezen en dat hij van plan was hem ’s middags aan den schipper, Pieter Grootveld, voor te stellen. Na eenig oponthoud hadden Strauch, Grootveld, Parlevliet en Dijkstra samen een onderhoud op het bureau van Parlevliet. Dijkstra werd aan Grootveld voorgesteld als de “V-man die op je schip met je mee gaat.” Grootveld antwoordde dat hij blij was Dijkstra welkom te mogen heten en vermeldde als bijzonderheid, dat zijn zoon Pieter Grootveld Jr. op dat moment werd opgeleid op de radioschool in Den Haag. Het was Dijkstra zeer duidelijk, dat Grootveld zeer goed begreep wat voor werk hij, Dijkstra, voor de Duitsers zou verrichten.” Uit het vervolg van het aangetroffen proces-verbaal kon nog worden opgemaakt dat de KW 110 op haringvangst zou gaan met zogenaamd staand want. Dit verklaart het relatief hoge aantal bemanningsleden aan boord van het schip. Op voorschrift van de Hafenüberwachungsstelle voer in een geval als dit een vissersschip uit, zette zijn staande want in zee en trok daarna huiswaarts. De volgende dag keerde het vervolgens terug om de uitgezette netten binnen te halen. De IJmuidense visserijdeskundige Arie van der Veer maakte in destijds door hem verzorgde weekverslagen melding van deze – overigens maar zeer beperkt toegestane – wijze van haringvisserij. Van der Veers rapporten vermeldden uiteraard daarnaast de ’s nachts in zee op drift geraakte reeksen netten en de vergeefse speurtochten ernaar. Rederij L. Parlevliet Nzn. De rederij L. Parlevliet Nzn. leidde bij het begin van de Tweede Wereldoorlog een wat kwakkelend en lijdzaam bestaan. Vermoedelijk heeft Leen Parlevliet zich in die tijd vooral bezigggehouden met de (groot)handel in haring. Dit zou zijn regelmatige verblijf in Duitsland kunnen verklaren. De genoemde slechte positie van Parlevliets rederij blijkt uit een verklaring welke na de oorlog werd afgelegd door zijn toenmalige procuratiehouder Th. Kruijt. Er is officieel maar weinig bekend over Parlevliets vissersvloot van die jaren. Voor zover uit de verklaring van Parlevliets tweede man kan worden opgemaakt voeren tussen het begin van de oorlog voor Nederland – in mei 1940 – en november 1940 geen schepen van Parlevliet uit ter visserij. Het ging daarbij overigens maar om een vlootje van twee vissersschepen: de stoomschepen IJM 86, ‘Rijnstroom’ en de IJM 91, ‘Amstelstroom’. Kruijt verklaarde dat de ‘Rijnstroom’ destijds in een zeer desolate toestand verkeerde en dat de ‘Amstelstroom’ door de Engelsen was weggevoerd naar Engeland. Uit de verklaring van de procuratiehouder, welke deel uitmaakte van een proces-verbaal van 11 maart 1947, blijkt verder dat Strauch geld leende aan Parlevliet om diens rederij nieuw leven in te blazen. Het werd weldra bij de bewuste rederij een kopen en een huren, en een komen en een gaan van schepen, waarin dus ook de huur van de KW 110 kan worden begrepen. Maar hier golden vanzelfsprekend wél de motto’s: “Voor wat, hoort wat” en “Niets voor niets”. Goede bekende van Strauch De Abwehrmann en Kapitän-Leutnant Fritz Strauch verbleef – zoals al bleek uit een eerdere hier geplaatste reeks artikelen – al vóór de Tweede Wereldoorlog veelvuldig in Nederland. Het waarom daarvan werd ook in de eerdergenoemde artikelenreeks toegelicht. Strauch had intussen in ons land een niet onaanzienlijke kring van bekenden opgebouwd; en bovendien was hij getrouwd met een Nederlandse vrouw. Onder zijn bekenden telde Strauch ook de reder Parlevliet. Leen Parlevliet op zijn beurt heeft kennelijk veel tijd doorgebracht in Duitsland, dit gezien het feit dat hij daar een (Duitse) vrouw huwde en dat enkele van zijn kinderen ook daar werden geboren. Hij was een trouw lid van de NSB. Gedurende de oorlogsjaren woonde Leen Parlevliet in Bloemendaal maar aan het eind van de oorlog treft men hem aan in de gemeentelijke administratie van het Groningse Appingedam. Hij kon na de oorlog niet meer worden verhoord. Leen Parlevliet overleed namelijk al zeer kort na de bevrijding, op 14 juni 1945. In een der aangetroffen rapporten staat vermeld dat hij op dat tijdstip was geïnterneerd.
© Piet Spaans 2011 historisch publicist en auteur Den Haag Holland http://nl.wikipedia.org/wiki/Piet_Spaans Volgende >>>>> Volgende >>
...terug ...home Geplaatst op 17-09-2011 en 519 keer gelezen
Like dit 255 Liked