Dacosta, de papieren vertrouwensman

Bedriegers bedrogen

Ook ernstige gebeurtenissen kunnen soms in de marge zaken met zich meedragen die elementen van humor bevatten of tenminste een glimlach oproepen. Dit speelde onder meer bij enige verhoren die deel uitmaakten van mijn onderzoek naar spionageloggers. En dat ooit óók een doorgewinterde Abwehrmann zich om de tuin heeft laten leiden zal straks duidelijk worden. Zoals bovenstaand is aangegeven speelde de hiernavolgende gebeurtenis zich af in de marge van mijn reeks over spionageloggers. De genoemde zaak heeft in directe zin met die maritieme spionage niets van doen maar wél met enkele van haar hoofdrolspelers. En de affaire was te bijzonder om deze hier en voor u onverteld te laten. Hun namen zijn terug te vinden in de al genoemde artikelen en meer expliciet kan men met betrekking tot die hoofdrolspelers een aanloop naar het gebeurde aantreffen in De H.C.A.M: in zee met spionageloggers (1). Kennismaking Thomas Morkstein Marx, reeds eerder in de onderstaande artikelenreeks genoemd, kwam, als Duitse zakenman die in ons land een bedrijfje had en hier ook woonde en werkte, in 1939 in contact met de Hagenaar Antonius Mauritius Hendrikus Straater. Die droeg vanuit zijn verleden een strafblad met zich mee. Dit zou hem in latere jaren meerdere malen parten spelen. Het betrof diefstal en een daaropvolgende veroordeling in 1924. Toen de strafbare feiten bij zijn latere werkgeefster Philips Gloeilampenfabrieken te Eindhoven bekend raakten, was Straater de goede functie die hij tot dan toe daar had bekleed, meteen kwijt. Dit overkwam hem later eveneens bij de N.V. Koolhoven Vliegtuigen, een vliegtuigenfabrikant waar hij opnieuw een goede werkplek vond. Want ook daar raakte zijn strafblad bekend en werd hij weer ontslagen. Straater zocht daarop een advocaat die met een zeker succes zijn ontslag bleek te kunnen aanvechten. Een rechtszaak die tegen Koolhoven werd aangespannen werd namelijk door Straater gewonnen. Hij was weliswaar enerzijds zijn baan kwijtgeraakt maar werd anderzijds in het bezit gesteld van een zeer aanzienlijke schadevergoeding. Terug nu naar de ontmoeting van Straater met Marx in 1939. In een gesprek dat volgde na hun eerste ontmoeting vroeg Marx aan Straater, directeur te worden van zijn bedrijf, de H.C.A.M. Daarbij moest Straater proberen, nieuw leven in te blazen in deze wat noodlijdende Hollandsche Crediet en Agentuur Maatschappij. Voor wat hoort wat Maar ook hier gold de aloude regel ‘Niets voor niets’ . Want Marx stelde als voorwaarde dat Straater een fors bedrag uit zijn eerder verkregen schadeloosstelling zou lichten en dit dan zou toevoegen aan het schrale bedrijfskapitaaltje van Marxs ietwat rammelende H.C.A.M. Deze was eerst gevestigd te Rotterdam, maar ze trok weg naar Den Haag, daarna naar Amsterdam en toen opnieuw naar Den Haag. In de voorafgaande reeks werd al aangegeven dat Marx in werkelijkheid een Abwehrmann was. De genoemde verhuizingen zullen dan ook ongetwijfeld deel hebben uitgemaakt van de Abwehr-activiteiten van Marx. De H.C.A.M. huisde na Rotterdam eerst in de Haagse Riouwstraat, vertrok toen naar Amsterdam, verhuisde daarna naar de Haagse Javastraat, ging nadien naar de Oostduinlaan en eindigde tenslotte op de Laan Copes van Cattenburch. Gegevens van de Kamer van Koophandel tonen aan dat Straater op 3 oktober 1939 officieel werd aangesteld als directeur van de H.C.A.M., terwijl de vroegere directeur van deze maatschappij, Mr.Dr. W. Nijgh, nu haar commissaris werd. In beeld bij de Abwehr Het ligt voor de hand dat de leden van de Abwehr zowel vóór als in de Tweede Wereldoorlog ondoorzichtige wegen bewandelden. Een van die wegen heeft in elk geval geleid van Thomas Marx naar Friedrich Carl Heinrich Strauch of visa versa. Genoemde Strauch was evenals Marx een Abwehrmann, maar dit wel met een speciale opdracht. De voorgaande artikelenreeks gaat daarop tot in details in; daarom blijven deze hier verder achterwege. Samengevat had Strauch van de hoofdleiding van de Abwehr in Berlijn de opdracht ontvangen, vissersschepen te gaan uitrusten voor maritieme spionage op de Noordzee. Daarvoor was geld nodig alsmede een Nederlands bedrijf van waaruit men zou kunnen opereren. Strauch zocht contact met zijn mede-Abwehrmann Thomas Marx en vond deze bereid, zijn H.C.A.M. beschikbaar te stellen als dekmantel voor de aanstaande spionageactiviteiten ter zee. De H.C.A.M. was echter financieel – en dit ondanks de bijdrage van haar nieuwe directeur Straater – nog steeds niet in staat, een dergelijke operatie te kunnen dragen. Strauch vond toen vervolgens enige Nederlandse met Duitsland sympathiserende zakenlieden bereid, financieel in de H.C.A.M. te investeren. Zelf deed hij ook een investering in de H.C.A.M. en aldus beschikte de maatschappij nu over een groepje draagkrachtige aandeelhouders. Opnieuw het strafblad Strauch kwam vanaf nu heel regelmatig in contact met Straater die immers over de H.C.A.M. de directie voerde. Tot grote schrik van Straater kwam vervolgens opnieuw de aap uit de mouw: Strauch had Straaters donkere verleden achterhaald, net zoals de anderen die Strauch daarin waren voorgegaan. Straater ontkende maar Strauchs kennis reikte verder. Een tweede confrontatie werd de als sluw aangemerkte Straater teveel en hij moest zijn strafbare feiten toegeven. Twee zeer geslepen zakenlieden stonden hier tegenover elkaar; maar de troeven waren in handen van Strauch. Tijdens een naoorlogs verhoor vertelde Straater uitvoerig over de beide confrontaties met Strauch. ‘ Op een zekere dag werd ik bij Strauch ontboden en zeide hij: “Ik heb een zeer pijnlijke boodschap voor U. U bent als directeur van de Hollandsche Crediet en Agentuur Maatschappij niet te handhaven, daar U een vonnis gehad heeft in 1924. Ik zal er morgen met de andere heeren over spreeken.” Ik heb het beslist ontkend omdat ik te slechte ervaringen had opgedaan met toe te geven. Mr.Dr. Nijgh heeft mij toen geholpen te bewijzen, dat het niet waar was van dat vonnis, door een valsche verklaring af te geven en ik had aanvankelijk de indruk, dat Strauch het geloofde. Ongeveer tien dagen later sprak ik Strauch weer en zei hij: “Sie sind wohl was durftig gewesen mit Ihr Mitteilungen über diese Geschichte in 1924, doch ik zal U er geen moeilijkheden over maken, wanneer U dan in de Hollandsche Crediet en Agentuur Maatschappij mij als grootste aandeelhouder (Strauch had inmiddels een groot aantal aandeelen van mijn firma bemachtigd) steeds ondersteunt.” Hij voegde hieraan nog toe: “Gerade faule Aepfel kan ich gut gebrauchen.” Kort daarna zeide hij, dat hij mij als vertrouwensman had laten inschrijven bij het Oberkommando Wehrmacht Sonderstelle Berlin.’ Aldus Straater, die vanaf dat moment klem zat tussen de kaken van de Abwehr in de persoon van Strauch. De H.C.A.M.-directeur was als gevolg van Strauchs chantage tegen wil en dank nu als vertrouwensman ingelijfd in de Duitse Abwehr. Filiaal Straater ontving nu ook meteen opdrachten die hij naast zijn functie als directeur van de H.C.A.M. moest uitvoeren. Zo droeg Strauch hem op, een reisschema te ontwikkelen voor ‘zakenreizen’ die Straater diende te maken naar neutrale landen als Portugal, Spanje, Turkije, Zweden en Zwitserland. Een daaropvolgende reis naar Turkije in dat kader leverde echter niet de door Strauch gewenste resultaten op. En zodoende werd, in opdracht van de Abwehr, lees Strauch, Portugal voor Straater het nieuwe doel. Al eerder had Strauch geprobeerd, vertrouwensmannen in te zetten in Portugal, maar dit streven was op niets uitgelopen Zo weigerde Spanje meer dan eens, bij zijn grenzen de door de Abwehr ingezette mannen door te laten richting Portugal. Maar nu lukte het kennelijk wel en aldus werd Straater naar Lissabon gestuurd om daar een filiaal van de H.C.A.M. op te zetten. Dit filiaal zou in werkelijkheid – net als de moedermaatschappij in Nederland – in Portugal een dekmantel gaan vormen voor Duitse Abwehr-activiteiten ter plekke. Het filiaal zou de naam ‘Socidada Olandesa’ krijgen, aldus een betrokkene tijdens een van de verhoren. Kort voordat Straater zou afreizen kreeg hij van Strauch een speciale opdracht. Hij zou moeten proberen, in Lissabon iemand te vinden die bereid zou zijn, regelmatig naar Engeland over te steken voor het uitvoeren van Abwehr-opdrachten. Aangezien hij naar zijn mening al eerder in Turkije op economisch gebied veel verder was gegaan dan hij voor zichzelf had kunnen verantwoorden, besloot Straater in stilte, nu aan Strauchs opdracht geen gehoor te geven, althans niet in de zin zoals door Strauch beoogd. Mevrouw Dacosta Gedurende zijn eerste verblijf in Lissabon kwam Straater op een bepaald moment in contact met een Portugese vrouw die de naam Dacosta droeg. De vrouw werkte naar het schijnt voor de Engelse Secret Service. Maar zij vertrouwden elkaar en Straater vertelde haar zijn probleem met Strauch. De vrouw gaf Straater, in samenspraak met haar chef, het advies een – in werkelijkheid niet bestaande – vertrouwensman te creëren die te zijner tijd naar Engeland zou oversteken en die dan aan Straater ‘informatie’ zou gaan verstrekken. Straater besloot dat die man in zijn rapportage Dacosta zou gaan heten. Hij meldde Strauch tussentijds de ‘kennismaking’ met zijn vertrouwensman en kwam toen terug naar Nederland. Straaters verslag werd door de Abwehr voor wáár aangenomen. Enkele maanden daarna was Straater voor de tweede maal naar Lissabon vertrokken en na zijn terugkeer kon hij aan Strauch melden dat zijn man ‘naar Engeland was vertrokken’. Strauch had intussen Berlijn op de hoogte gebracht en de leiding van de Abwehr had op haar beurt 100.000 Escudos beschikbaar gesteld om Dacosta te kunnen betalen. Straater echter vond het creëren van een niet bestaande vertrouwensman blijkbaar één ding, maar om vervolgens daarvoor een groot bedrag te toucheren, leek hem toch teveel van het goede. Hij zei dan ook tegen Strauch dat de man geen geld wilde voor zijn straks te verrichten diensten. Maar in plaats daarvan wilde hij wél in aanmerking komen voor bepaalde economische voordelen. Daarop besloot Strauch, het geld dat bestemd was voor Dacosta, door te sluizen naar het door Straater opgerichte filiaal in Lissabon. Geheimschrift In november 1943, voorafgaand aan de derde reis naar Portugal, werd Straater tijdens een vooroverleg met Strauch door deze voorgesteld aan de Hauptmann Hiller, een der medewerkers van de technisch dienst van de Abwehr. Hiller stond binnen de Abwehr vooral bekend onder de alias Major Stein. Strauch vroeg Straater tijdens het bovengenoemde overleg, in Portugal notities te willen maken van datgene, wat aan informatie uit Engeland werd meegebracht. Vervolgens toonde Hiller aan Straater een lucifer: op het oog niet te onderscheiden van andere. Het verschil was evenwel dat deze lucifer in werkelijkheid een stuk schrijfgerei was dat een onzichtbaar schrift produceerde. Strauch gaf Straater opdracht, straks zijn waarnemingen met dit schrijfgerei weer te geven. Straater vertelde bij de naoorlogse verhoren zelf dit ervan. ‘Ik heb in Portugal toen uit verschillende Engelsche tijdschriften gegevens verzameld en met de bewuste lucifer een rapport opgemaakt en het doen voorkomen, of deze gegevens van Dacosta waren. Ik had bijvoorbeeld gelezen, dat er gewerkt werd aan bijzondere wapens voor de invasie en fantaseerde dan een bericht over vlammenwerpers en opvouwbare motorfietsen en over vliegtuigen, die tanks uitwierpen boven de Atlantikwall. De inhoud van dit rapport was dus louter fantasie.’ Toen Straater in december 1943 met zijn aantekeningen terugkeerde naar Nederland was Strauch daar niet aanwezig. Hij verstond zich daarom met Strauchs medewerker Wilhelm Edzard, die als Duitse burger bureauwerk verrichtte bij Strauchs Marine Aussenstelle te Overveen. Edzard reisde daarop naar Den Haag maar hij wist met deze zaak geen raad en liet dan ook op zijn beurt de Hauptmann Hiller komen. Op Straaters kantoor werd de niet zichtbare tekst door Hiller met behulp van chemicaliën zichtbaar gemaakt. Een definitief rapport van de nu zichtbare gegevens werd erna samengesteld. Strauchs bezigheden waren inmiddels verlegd naar nieuwe Abwehr-activiteiten in Spanje en dat verklaarde zijn afwezigheid hier. Een boze Strauch Strauch was bij terugkeer woedend daar zijn initiatief was onderschept en was overgenomen door Hiller. Zijn positie was op dat tijdstip namelijk aan het wankelen geraakt omdat zijn activiteiten in Spanje niet tot resultaten hadden geleid. De opgetekende gegevens van de – weliswaar fictieve – vertrouwensman Dacosta zouden Strauch op het hoofdkwartier te Berlijn zeker weer wat crediet hebben kunnen verschaffen. Hij werd na zijn mislukte Spanje-avontuur eind 1943 door de Abwehr naar Parijs gedirigeerd. Dit ondergraaft de in enkele verklaringen voorkomende veronderstelling dat Strauch van zijn Nederlandse Abwehr-activiteiten met spionageloggers zou zijn afgehaald vanwege zijn financiële manipulaties. Men zou geneigd zijn, bij het hier weergegevene een of meer vraagtekens te plaatsen, ware het niet dat meerdere – totaal los van elkaar staande – verhoren het gegeven gelijkluidend en aansluitend onderbouwden. En dan tot slot de finale: uit een bepaald verslag is gebleken dat men bij de Abwehr te Berlijn de door Dacosta verzamelde gegevens met grote belangstelling heeft bestudeerd…
© Piet Spaans 2011 historisch publicist en auteur Den Haag Holland http://nl.wikipedia.org/wiki/Piet_Spaans
...terug ...home Geplaatst op 25-09-2011 en 390 keer gelezen
Like dit 187 Liked