Korsemus [Kersmis] mooi kerstverhaal van Leen Bal

Met zijn handen diep in de zakken van zijn zwarte ruige Jek, en zijn glimmende pet op zijn hoofd. Loopt Job met opgeheven schouders zijn hoofd diep in de opgezette kraag van zijn Jek drukkend. Door het naarstige aanziende Steegje waar hij al jaren met Mentje zijn vrouw woont. De Scheveningers noemen het, 'et endeslop Er waait een vuile koude bries uit het Noordwesten. En daarom steken er onder Job zijn Engelslerenbroek een paar klompen gevuld met stro uit zo dat hij lekkere warme voeten houd. Omdat het over twee dagen Kerstmis zal zijn, is Job onderweg naar de Dokter. Omdat Mentje zijn vrouw weer voor de zoveelste keer ziek is. Nou denk Job de mense 'ebbe wel gelik 'et is gedomme 'et ende 'ier in dat vle veize slop wear 'et altijd near de kak stinkt. Voral as Jan en Wullem van de poepkar net 'eweest benne. Vroger zag 'et er veul beter t, weet Job mear jea der word niks mr an de sjes 'edaan. Allien de 'uur die vergete ze 'iet op te aele vor de ouwe krotte, ales is vervalle. De kou en de regen slaen deur de mure, en panne heen. 'et is een pure elende om 'ier te motte weune, mear jea ik ken iet veul betale van mun arremoedje. Hij denkt aan de tijd dat hij nog op de Trollers van Ijmuiden vaarde. Wat was 'et toch gezellig met Mentje , en zijn twie kindere, Zwaenttje zijn dochter, en Jannus zijn zeun, denkt hij. Maer dat is lang 'eleje de kinderen benne allang de deur t. Ze benne etrouwd en weunen vort weg. En ze komme nog maer zelde bij der Veader en Moeder langs. God, o God, we 'ebbe toch krom voor ze 'elege, denkt Job. Der Schnzeun aelt ze,n neus vor Mentje en 'em op, en met ze,n schndochter is 'et ok al z. En non is Mentje ok weer es ziek ze sukkelt de leste tijd nog al met ter gezondheid. Vanmurge wulde ze 'iet t de bedstee komme ze gloeide over der eile lijf. En nou is Job op weg naar de Dokter om te vragen of hij even bij Mentje langs wil komen. Job moet er niet aan denken dat ze dood zal gaan. Als hij daar aan denkt krijgt hij een steek door zijn Hart, en word hij verschrikkelijk bang. Vroger a ik dat toch 'iet, denkt Job maer 'et kompt vast deur de ouwerdom. En om dat tie niemand op deuze wereld mr eit dan Mentje, want zijn kindere ken ei wel verwaerlze. Die komme dan eilemael 'iet mr als ter moeder er 'iet mr is. Over dat alles denkende is hij bij het huis van Dokter De Ruiter in de Doornstraat aangekomen. Hij doet de voordeur die op een kier staat open, en loopt naar de deur waar Jansje de hulp van de Dokter zit. Goejemurge Jansje zegt hij zijn pet van zijn hoofd afnemend. Want Jansje komt dan wel van Scheveninge, maar ze is toch een dochter van ,Jacob Klompje goud die Reder van tweeloggers is. Dus daer mot je je put wel vor afneme is Job zijn gedachte. Ken de Dokter effe naar Mentje komme kikke Jansje? voor ze dd geat want ze is erg ziek 'oor. En hij kijkt Jansje met zijn vochtige ogen angstig aan. Ik zel 'et opschrijve 'oor Job dan kompt de Dokter vanmiddag wel bij Mentje langs, zegt Jansje. 'Eb ze koorts z je weet? Vraagt ze. Dat weet ik 'iet 'oor ik ' 'iet z,n meter waer je 'et op zien ken , maer ze gloeit wel eil erg En ze spaugt ammaer in de emmer die ik naast 'er bed 'eb 'zet. De aerepels en der stikje spek lagge der in te drijve Jansje. Ik doch laet ik nog maer gauw vor de Kurst naar de Dokter gaen, dan ken die nog effe naer der kikke. De Dokter kompt vanmiddag nog wel effen naer Mentje kikke 'oor Job, en maek je maer 'iet zo ongerust 'oor, zegt Jansje. Ik 'oop t maer Jansje zegt Job, ik gae z metien un Kurstkedootje voor der kpe. En hij stommelt de Dokters woning uit op weg naar de Keizerstraat waar sinds kort een nieuw winkeltje zit. Ze verkopen daar van die lekkere grote bonbons bruine en witte. Job heeft al een keer met Mentje voor de etalage, waar al die bonbonnen uitgestald lagen met verlangende blikken naar al dat lekkers staan kijken. En hij heeft zich toen voorgenomen een onsje voor zijn Mentje te kopen. Maar het is wel een hele smak geld wat hij moet neertellen. Un alleve Gulde 'et ons koste ze,dat is gedomme un eile 'ap geld t 'et tkeirinkje wat ik 'eb, mijmert Job. Maer vor Mentje is niks me te veul. Niettan? Wat zel ze verrast kikke Hij ziet het al helemaal voor zich. Als hij straks thuis komt, en ze dan samen een lekker bakje koffie zullen gaan drinken. Hij zal dan plotseling het zakje met de Bonbonnetjes, voor haar neus te voorschijn halen. En het zakje voor haar open maken, terwijl Mentje verbaast zal kijken wat Job allemaal aan het doen is. 'ier Mentje zal hij dan zeggen haar het geopende zakje voorhoudend. 'ier meid kies ter maer ien t Wetend dat vooral, tie grte witte, met tie 'azelnt ter op der andacht zel trekke. Job weet dat omdat ze samen toen het winkeltje nog maar net geopend was. Voor de etalage naar al die bonbonnen stonden te kijken. Mentje met glanzende ogen tegen Job zei, o Job wat zou ik graeg z,n grte witte met tie nt ter op wulle prve, en ze smakte met haar lippen. Job voelt in zijn broekzak, en haalt er zijn groezelige zakdoek met een knoop er in uit. Hij maakt de knoop los, en laat de twee kwartjes die in de zakdoek zitten, in zijn groezelige hand vallen. 'et is un eile schat dat ik 'ier in me,n 'ande, 'eb denkt Job, daer 'eb ik lang vor motte spaere. En hij stapt de twee treetjes die naar de winkeldeur leiden op. Als hij de deur opent rinkelt het belletje boven de deur met een hoog tingelend geluid, ten teken dat er iemand de winkel betreed. Voor de toonbank staande kijkt Job met begerige ogen naar al die lekkere bonbonnetjes, die door een glazen ruit van hem gescheiden zijn. Uit een deur achter in de winkel komt een jonge meid met een pinnig gezicht, en fel rode gesminkte lippen naar de toonbank toe. Ze kompt 'iet t Schevening weet Job, zij en der Mder komme urreges t de 'aeg vandaen. Wat eit dat kind een rooie lippen denkt Job, 'et zou mijn dochter 'iet motte weze. Wat zal het zijn? Vraagt ze, Job met haar pinnige ogen, die brn benne ziet Job, aan. Ehuh un onsje bonbonnetje, asjeblief zegt Job. Het pinnige meraekel pakt een grauwe papieren puntzak onder de toonbank vandaan. En begint bruine bonbonnen in de zak te doen. Job schraapt verlegen zijn keel en vraagtMag ik de 'elft witte met z,n nt ter op asjeblief? dat vind Mentje. Je krijgt op n ons maar n witte hoor zegt het fel gesminkte loeder tegen Job Zonder hem uit te laten praten. je moet niet denken dat je de Koning ben. O, dan maer ien, zegt Job benepen tegen het loeder, dan 'eb Mentje vast ien witte met un nt ter op, denk Job. Het loeder doet vijf bonbonnen in de grauwe zak, en legt die op de weegschaal. De grote wijzer glijd naar voren, en blijft ligt trillend op n ons en vijftien gram staan. Ze vouwt het zakje dicht, en smijt het voor Job op de toonbank. Dat is dan zestig centen zegt het loeder pinnig. Ik 'eb maer twie kwarretjes, zegt Job bedeesd naar het geld in zijn hand kijken. Driftig pakt ze het zakje weer van de toonbank, en haalt er tot Job zijn grote schrik de witte bonbon uit, en sluit het zakje weer. Dat is dan vijftig centen zegt ze snibbig het zakje weer voor Job neer gooiend. Job betaald zijn zure twee kwartjes zonder dat hij nu een witte bonbon met een noot voor zijn Mentje gekregen heeft. In allerijl verlaat hij het winkeltje weg van dat pinnige mens. En gaat op weg naar zijn huisje in het eindeslop, waar Mentje op hem wacht. Als hij thuiskomt ligt Mentje nog in de allekoof te slapen. Zachtjes loopt hij naar het fornuis toe, zo dat Mentje niet wakker word. Hij zet de ketel met water voor de koffie op, en wacht dat het gaat koken. Dan pakt een aftands bruin schaaltje waar menig hoekje uit de rand verdwenen is. En legt het zakje bonbons er in. Met de brne bonbonnetjes zel Mentje ok wel blij weze, denkt Job. Als het water kookt gooit hij de koffie in het keteltje, en doet er tussen duim en wijsvinger een snufje zout er bij. En roert het dan met de potlepel flink door. Als de Koffie klaar is pakt hij het schaaltje met bonbonnetjes van tafel , en loopt naar de alkoof. Waar Mentje op haar rug ligt met haar mond iets open. Vertederd kijkt Job naar haar, en begint haar zachtjes door elkaar te schudden. Zich verkneukelend hoe Mentje straks op de Bonbonnetjes zal reageren. Mentje meidje wakker worre ik 'eb un lekker bakje koffie voor je, en een verrassing roept hij zachtjes in haar oor. En schud haar dan wat harder om dat Mentje niet wakker wil worden. Dan legt hij zijn hand op Mentjes gezicht, en trekt verschrikt zijn hand weer terug. Mentjes gezicht is ijskoud, en langzaam heel langzaam glijd haar hoofd op zij weg. Terwijl een laatste zucht uit haar mond ontsnapt. En opeens begrijpt Job dat Mentje er niet meer is. Terwijl hij weg was heeft ze koers gezet naar de einder. Precies wat ze altijd tegen hem zei. Job zei ze dan als ik Dd gaet dan vaer ik met die mooie witte zeilboot die de Zwaantje iete net als onze Zwaan.Die toen in de aeve lag weet je nog, Naer de einder toe. En daer zel ik onze Here ontmoete Job, en ik zel vor altijd in blijschop bij em weze . Met een smartelijke kreet pakt Job haar beet, en drukt haar tegen zich aan. Mentje ooow mijn Mentje, kreunt hij zacht tegen haar. Waerom ging je allien zonder me, en hij huilt met lange smartelijke uithalen. Terwijl de tranen over zijn gezicht stromen. Leen bal. Alle personen, en namen in dit verhaal zijn door de schrijver verzonnen, en mocht iemand zich in dit verhaal herkennen dan is dat zuiver toeval. Leen Bal.Leen.aly@hetnet.nl
...terug ...home Geplaatst op 07-12-2004 en 669 keer gelezen
Like dit 253 Liked