Zeillogger IJM 63 Julia vermist Februari 1918

Het verhaal van Piet Kuijt, zijn zoon Willem en zijn broer Dirk Kuijt. Allen opvarenden van het vissersvaartuig Julia uit IJmuiden. Begin februari 1918 niet meer terug gekomen van de visserij op de Noordzee en als vermist beschouwd. Er is nooit meer iets van schip en bemanning vernomen. Piet Kuijt 1876 – 1918 Dit verhaal gaat over het uitblijven van de zeillogger Julia, IJmuiden 63. Dit vissersschip vertrok in februari 1918 naar zee voor het uitoefenen van de visserij. Aan boord Dirk Kuijt, Pieter Kuijt en Willem, de zoon van Pieter. Er is nooit meer iets van schip en bemanning vernomen. De Julia was een stalen zeillogger, zonder motor, gebouwd in 1914 in opdracht van de NV Logger Maatschappij Julia in IJmuiden. Begin april vond de overdracht plaats maar reeds op 18 maart, een paar maanden voordat de eerste wereld oorlog uitbrak, veranderde de zeillogger al van eigenaar. Nieuwe eigenaar werd de eveneens in IJmuiden gevestigde rederij NV Exploitatie en Administratie-Maatschappij 'Shamrock I. Een nieuwe stalen zeillogger van het type Julia IJM 63 De Julia heeft door het uitbreken van de eerste wereldoorlog een korte en ongelukkige geschiedenis doorgemaakt. De gevaren op de Noordzee waren en zijn er voor de vissers altijd geweest maar tijdens de eerste wereld oorlog werden deze gevaren voor de visserlui alleen maar groter. De angst om te worden opgebracht door de Engelsen, of te worden getorpedeerd door Duitse onderzeeboten was constant aanwezig. Daarbij kwam ook nog het gevaar van losgeslagen zeemijnen. Lekgeslagen en met schade over het hele dek, een gebroken donkey en het verlies van kompas. Twee matrozen bleken ernstig gewond te zijn. Dit alles tengevolge van een zeemijn, die, op de Noordzee, ruim dertig mijl Noordwest van de Haaksgronden in het net is terecht gekomen en bij het binnenhalen van het net ontplofte. Op vijf maart 1917 was de Julia weer volledig gerepareerd en vertrok weer ter visserij op de Noordzee. Los geslagen mijnen raakten in de visnetten In januari 1918 monsteren mijn opa, Piet Kuijt, samen met zijn oudste zoon Willem en zijn broer Dirk aan op de Julia. Het jaar begon gelijk slecht. In de avond van 13 januari rond elf uur zeilde de Julia de haven van IJmuiden binnen. Het stormde zwaar uit het noord westen en met hevige sneeuwbuien had de bemanning met veel moeite de zeilen weten te strijken. Ondanks dat bleef de Julia veel vaart houden en aan de ingang van de Vissershaven liet men het anker vallen. Het anker hield echter niet en met een flinke vaart knalde de Julia tegen de, aan de kade afgemeerde, Eben Haezer, Vlaardingen 56, aan. De VL 56 was een paar uur daarvoor reeds de haven binnen gekomen. De bemanning nog aanwezig lagen bijna allemaal in hun kooi te slapen moesten het schip, dat in zinkende toestand was onmiddellijk verlaten. De VL 56 in zinkende toestand na de aanvaring met de IJM 63 Julia Op 28 januari en 9 februari verschenen de schipper Stekelenburg, stuurman Turfboer en matroos Dirk Kuijt voor de Raad voor de Scheepvaart. Naar aanleiding van hun verklaringen werd de schipper van de IJM 63 vrijgesproken. Volgens de eenstemmige verklaringen van deze mensen achtte de Raad dat het ongeval te wijten was aan de hevige storm en dat schipper en bemanning geen schuld hadden aan deze aanvaring. Op 15 januari, twee dagen na de aanvaring, werd de IJM 63 in het dok gezet voor verdere inspectie en in orde bevonden. Geheel zeewaardig en voorzien van de vereiste reddingsmiddelen vertrok de IJM 63 Julia op 12 februari 1918, vanuit IJmuiden naar zee voor het uitoefenen van de visserij. Daarna is nooit meer iets van het schip en de bemanning vernomen. De Raad voor de Scheepvaart was van oordeel dat de IJM 63 met man en muis is vergaan. De oorzaak kan niet met zekerheid vastgesteld worden maar naar alle waarschijnlijkheid het gevolg van de oorlogsomstandigheden. Wat betekent dat deze zeillogger waarschijnlijk in aanvaring is gekomen met een zeemijn en door explosie is vergaan. Acht vissers verloren hierbij het leven. De omgekomen vissers zijn schipper Johannes Cornelis Stekelenburg uit IJmuiden en uit Scheveningen stuurman Pieter Tufboer (45) en de matrozen Cornelis van der Harst (45), zijn zoon Johannes Zier van der Harst (18), Dirk Kuijt (46), Pieter Kuijt ( 41), zijn zoon Willem Kuijt ((18)en Simon de Mos, 16 jaar oud. In juli 1918 verloor rederij NV Exploitatie en Administratie-Maatschappij 'Shamrock I opnieuw één van haar schepen deze keer was het de IJM 251 Centrum. Deze logger stond onder de vissers bekend als de Gekkenlogger. Het voer destijds, in 1915, onder de naam Noordzee , Katwijk 171, toen een aantal opvarende als gevolg van godsdienstwaanzin een paar anderen bemanningsleden hebben vermoord. Aangezien te Katwijk er geen bemanning meer te vinden was voor deze logger, besloot de Katwijkse rederij het schip te verkopen. De “ Gekkenlogger “ kwam dus terecht in IJmuiden en werd daar de IJM 251 Centrum. Ook daar heeft deze logger dus geen gelukkig bestaan gehad. De nieuwe rederij verloor in een half jaar tijd vier loggers waarvan drie, de IJM 63 Julia, de IJM 248 Pluto, en de IJM 251 Centrum met man en muis. Van de vierde logger, de IJM 250 Prosper werden slechts drie opvarenden gered. De vis werd wel erg duur betaald. Mijn oma verloor dus in een keer haar man en oudste zoon en bleef achter met zes kinderen. Twee daarvan, 17 en 15 jaar verdienden hun kost toen al op zee. De anderen vier kinderen waren respectievelijk 6, 5, 2 jaar en de jongste was nog maar 2 maanden oud. Een zoon van Dirk Kuijt, matroos op de IJM 63, vervulde in die tijd zijn militaire dienstplicht. Hij was ingedeeld bij de marine en gelegerd in Den Helder. Een paar van zijn dienstmaten kwamen uit Egmond en waren ook visser. Veel Egmonders vaarden in die tijd op IJmuidense vissersschepen. Van een van deze Egmonders kreeg hij te horen dat de IJmuiden 63 vermist werd. Onmiddellijk ging hij naar de commandant om te vragen of hij naar huis mocht omdat zijn vader vermist werd en hij zijn moeder wilde bijstaan. Dit verzoek werd geweigerd, maar hij liet zich niet uit het veld slaan en klom over het hek en ging hals over kop naar Scheveningen. Dit werd door de legerleiding gezien als deserteren, waarop de doodstraf stond. Uiteindelijk is deze straf niet uitgevoerd maar heeft hij wel een flinke straf gekregen. Zes maanden later, november 1918 was de oorlog afgelopen maar de gevaren op zee bleven nog geruime tijd bestaan. Ruim na dat de oorlog was afgelopen zijn er nog vissers omgekomen door zeemijnen. Zowel de vader van mijn moeder als die van mijn vader hebben het leven verloren met hun schip dat door de explosie van zeemijnen nooit meer is terug gekeerd. Losgeslagen zeemijnen , veel vissers hebben daardoor hun leven verloren en veel vrouwen en kinderen verloren hun man en vader. Mink Kuijt Mail naar M. Kuijt
...terug ...home Geplaatst op 29-12-2014 en 939 keer gelezen
Like dit 252 Liked