Het verhaal van Gerrit Tuijt matroos op de IJM 58 Amplitudo november 1928

Het verhaal van Gerrit Tuijt is, zoals een aantal andere verhalen door mij geschreven, onderdeel van onderzoek in mijn familiegeschiedenis. Gerrit is of was een oom van me die in de vorige eeuw net als zo vele andere Scheveningse mannen op zee omkwamen. Het zijn de verhalen van en over mijn omgekomen familieleden op zee. Het zijn de verhalen en gebeurtenissen die in vrijwel alle vissers gezinnen zijn voorgekomen. Scheveningen heeft een prachtig monument aan de boulevard, Het VissersNamenMonument Scheveningen. Dit monument is opgericht ter nagedachtenis aan alle Scheveningse vissers die tijdens de uitoefening van hun beroep op zee het leven lieten. Ik heb sterk de behoefte om naast de namen ook de verhalen van de omgekomen vissers een plek in onze Scheveningse geschiedenis te geven. Gerrit Tuijt is verdronken in de nacht van 23 op 24 november 1928 tijdens een vliegende storm ter hoogte van het Hornrif bij Jutland Denemarken met de stoomtrawler Amplitudo IJM 58. Het kan flink spoken op het Hornrif Aan boord waren elf bemanningsleden waarvan twee uit Scheveningen. Voor de 29 jarige Cornelis de Bruijn was het zijn eerste reis op de Amplitudo. De andere Scheveninger was mijn oom Gerrit, vier en twintig jaar oud. Dit is het verhaal van en over de korte zeemansloopbaan van Gerrit Tuijt. Gerrit was vijftien jaar oud toen zijn vader`in augustus 1919 op zee omkwam met de ramp van de SCH 137 Geertruida. Samen met zijn moeder en zijn drie jarige zusje probeerden ze de draad in het leven weer op te pakken. Het ongeluk van zijn vader was geen reden om de zee te mijden. Ook Gerrit ging, zoals vele Scheveningse jongens, naar zee. Samen met zijn oudere, getrouwde, broer Arie monsterde hij op 12 juni 1920 aan op de Scheveningse houten zeillogger SCH 139 Doggersbank. Het was nog maar negen maanden geleden dat hun vader op zee was omgekomen. Schipper was hun neef Gerrit Harteveld en stuurman hun neef Bram Harteveld. Gerrit en Bram waren de zoons van de broer van Teuntje, de moeder van Arie en Gerrit Tuijt. Vooral in moeilijke tijden heb je de hulp van familie nodig. Opvallend hierbij is echter dat op 29 juli 1920, dus nog geen zes weken na aanmonstering, de reder van de SCH 139, de heer P van Wijngaarden, de waterschout schriftelijk informeerde van en over het toegestane verzoek om ontslag van Arie en Gerrit Tuijt. Naast Arie en Gerrit verlieten er nog twee andere bemanningsleden het schip. Een vreemde zaak zo midden in de teelt van boord te gaan. Op maandagavond 9 augustus 1920 om 10 uur vertrok de SCH 139, zonder Arie en Gerrit Tuijt uit de Scheveningse haven voor de visserij op de Noordzee. Op 14 augustus rond 1 uur in de middag is men met vissen gestopt aangezien er te weinig wind was om nog enige voortgang te maken. De bemanningsleden waren naar hun kooi gegaan met uitzondering van de 17 jarige Arie Harteveld die van de schipper de opdracht kreeg de wacht te houden. Een uur later ging matroos Visser even naar boven om te plassen en toen hij weer naar beneden ging om zijn kooi weer op te zoeken bemerkte hij dat er water in logies stond en wel ruim boven de vloer. Hij riep onmiddellijk de slapende bemanningsleden en snel gingen ze naar dek. Matroos Visser gaf Arie de opdracht de schipper en stuurman, die in het achterschip sliepen, te roepen en zetten zelf onmiddellijk de pompen aan. De schipper en stuurman kwamen onmiddellijk aan dek. Het water steeg snel, zodat men onmiddellijk de reddingsboot uitzette. Het pompen bleek niet te helpen. Toen de reddingboot overboord was klommen alle bemanningsleden erin. Tien minuten later zonk de logger naar de bodem van de Noordzee. Men roeide naar de in de nabijheid vissende zeillogger IJmuiden 368 die de bemanning aan boord nam en in de haven van IJmuiden aan land bracht. Zoals gebruikelijk stelde de Raad van de Scheepvaart een onderzoek in. Schipper Harteveld verklaarde dat het schip op een onderwater drijvend voorwerp was gestoten en snel water begon te maken. Op 3 september 1920 kwam de uitspraak. De Raad was van mening dat de oorzaak van het lek raken en zinken van de SCH 139 niet aan het licht was gekomen en mede daardoor er geen aanklacht tegen de schipper is ingediend en er dan ook geen disciplinaire straf zal worden opgelegd aan de schipper Gerrit Hartveld. Voor justitie was de zaak hier niet mee afgehandeld. Ze vonden het een vreemd verhaal en stelde een onderzoek in naar het zinken van de Doggersbank. Na een uitgebreid onderzoek en het verhoren van alle betrokken werden reder van Wijngaarden, schipper Gerrit Harteveld en stuurman Bram Hartveld in staat van beschuldiging gesteld. Op de recht zitting die op 30 december 1920 in Den Haag plaatsvond verklaarde reder van Wijngaarden het volgende: Begin 1920 heb ik de houten zeillogger Doggersbank SCH 139 gekocht van een reder uit Vlaardingen. Ik heb voor het schip, inclusief het zeiltuig elf duizend gulden betaald en het voor dertig duizend gulden op beurspolis laten verzekeren. Op 9 augustus 1920 vertrok de Doggersbank uit de Scheveningse haven ter visserij. Schipper was Gerrit Hartveld en stuurman Abraham Hartveld. Voordat de logger de haven verliet heb ik aan de schipper een beloning toegezegd van tweeduizend gulden wanneer hij het schip zou laten zinken. Ik heb hiervoor voor het uitvaren een bijl en twee boren aan boord laten bezorgen. Ik heb na het uitvaren de logger niet meer terug gezien en beken dat ik mij heb willen verrijken met het verzekeringsgeld die de waarde van het schip ruim te boven gingen. Op dezelfde recht zitting verklaarde schipper Gerrit Harteveld het volgende: Omstreeks maart 1920 ben ik door de heer van wijngaarden aangesteld als schipper op de logger Doggersbank, SCH 139. De reder heeft mij een bedrag van tweeduizend gulden beloofd als ik het schip zou laten zinken. Ik begreep dat het te doen was om het verzekeringsgeld. Op 9 augustus 1920 ben ik naar zee vertrokken met het plan de logger tot zinken te brengen. Ik heb dit plan verteld aan mijn broer, Abraham Hartveld, die als stuurman eveneens op dat schip voer. Ik stelde hem voor het plan samen uit te voeren en beloofde hem een deel van de beloning, hetgeen deze goed vond. Op 14 augustus bevonden wij ons 30 mijl uit de kust, ik ben toen samen met mijn broer het ruim ingegaan en we hebben toen met behulp van een bijl, daarmede om de beurten hakkend, een gat gemaakt in de binnenplanken die rusten op de bodem van het schip. Daarna hebben we met behulp van de boor een achttal gaten in de scheepsromp geboord. Het schip begon snel vol te lopen, we zijn snel naar boven gegaan, en na een uur is het schip gezonken. Op 30 december 1920 heeft de arrondissements-rechtbank te ’s Gravenhage het vonnis uitgesproken: Schipper Gerrit Hartveld werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden. Stuurman Abraham Hartveld werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en reder Pieter van Wijngaarden tot een gevangenisstraf van drie jaar. Dezelfde dag werden de veroordeelden overgebracht naar het huis van bewaring in Den Haag. De vader van Gerrit en Abraham heeft de rol van zijn zonen in deze erg kwalijk genomen. Tijdens hun gevangenschap heeft hij ze geen enkele keer opgezocht. Hij overlijdt op 19 maart 1924, ruim een half jaar nadat zijn zoon Gerrit uit de gevangenis is gekomen. Het zal altijd wel een raadsel blijven waarom er op 29 juli 1920 vier van de zes bemanningsleden afmonsterde, vooral omdat ze pas op 12 juni waren aangemonsterd. Na ruim zes weken monsterden de vier al weer af en gaf de reder toestemming aan de waterschout voor het beëindigen van de overeenkomst. Het was zeker niet gebruikelijk dat de reder daar toestemming voorgaf. Het is dan ook aannemelijk dat er al pogingen zijn ondernomen om de logger tot zinken te brengen in de korte periode dat de vier afgemonsterde bemanningsleden nog onderdeel van de bemanning was. Waarschijnlijk hebben ze dit gemerkt en weigerde ze weer naar zee te gaan. Uit een aantal, niet te controleren, familie verhalen blijkt dat er een eerdere poging is geweest en dit is opgemerkt door de afgemonsterde bemanningsleden. De emoties liepen hoog op vooral de boosheid richtte zich vooral op Gerrit en Bram Hartveld omdat er twee neven (Gerrit en Arie Tuijt) aan boord waren die kort daarvoor op zee hun vader hadden verloren. In 1922 komen we de dan achttienjarige Gerrit tegen als matroos 7/8 op de monsterrol van de zeillogger SCH 51 Mentor, schipper is Cornelis de Graaf. In 1923, Gerrit is dan negentien jaar oud monstert hij op 25 april aan als oudste op de motorlogger Clivia, SCH 370. Schipper is G Kuiper. Gerrit was niet echt het voorbeeld van een Scheveningse visser, in die tijd liepen de vissers er meestal bij in herkenbare visserskleding. Bij Gerrit was dat niet het geval, hij viel vooral op door zijn moderne kleding en wilde meer van de wereld zien. Gerrit trekt in die tijd veel op met zijn neef Teun Harteveld. Beide jonge zeelui zijn van mening dat er meer op zee is dan de visserij. Samen besluiten ze naar de Zeevaartschool te gaan. Uiteindelijk haakt Gerrit af, maar hij maakt wel de overstap van de visserij naar de sleepvaart. Tussen 1920 en 1930 maakt de zeesleepvaart een grote ontwikkeling door en groeide Nederland uit tot de grootste zeesleepvaart natie van de wereld. Nederlandse sleepers en hun bemanningen brachten baggermolens, scheepsdokken en andere grote te slepen objecten naar onder anderen de Indonesische eilanden. Het waren tochten die soms een half jaar duurden en vaak onder barre omstandigheden. Aan boord van de sleep zaten dan een aantal runners. Het verzoek tot ontslag van Arie en Gerrit Tuijt van de reder aan de waterschout Het verhaal van schipper Gerrit Hartveld, 44 jaar later. Deze runners moesten zorgen voor de sleepverbinding tussen de sleper en de sleep. Vooral tijdens slecht weer kwam het regelmatig voor dat de sleepkabel brak en de sleep op drift sloeg. Het was een hard bestaan als runner. Men kreeg een paar kisten met gereedschap en eten en drinken mee en onder primitieve omstandigheden moest men zich zelf zien te redden. Tussen 1924 en 1927 heeft Gerrit als runner een aantal reizen als runner gemaakt. Waarschijnlijk op zijn laatste reis als runner, het is niet te achterhalen welke sleep het was, is de sleep tijdens een storm op drift geraakt en gezonken. De runners werden daarbij vermist. Gerrit was een van deze vermiste runners. Weer sloeg het vissersnoodlot toe in het gezin van Teuntje Tuijt- Harteveld. Moeder en haar inmiddels tienjarige dochtertje Teuntje waren in diepe rouw. De tijdens het leven door Gerrit zelf afgesloten levensverzekeringen werden aan de nabestaanden en begunstigden uitbetaald. Hoe moeilijk het ook was Teuntje Tuijt- Hartveld probeerde het leven weer op te pakken, ze had tenslotte ook nog een dochter om voor te zorgen. Na geruime tijd, het zal waarschijnlijk maanden geweest zijn, werd er op een dag aangebeld. Mijn moeder (Gerrit zijn 10 jarige zusje)deed open en…..wie stond daar op de stoep….haar broer Gerrit, in een marine uniform en met een pet op. Zwijgend en doordringend keek hij lange tijd zijn kleine zusje aan. Mijn moeder vertelde later dat ze dat nooit vergeten zal. De manier waarop hij haar aankeek stond voor altijd op haar geheugen gegrift. Nu, met alle communicatie middelen is dat ondenkbaar, maar er waren toen vrijwel geen middelen om snel contact ze maken. Gerrit had maar één doel, zo snel mogelijk thuis zien te komen. De blijdschap en verwarring en ongeloof was groot maar natuurlijk overheerste de blijdschap. Op 8 november 1927 verhuist Gerrit samen met zijn moeder en zusje van de Rogstraat naar de nieuwe woonwijk Duindorp. Ze gaan wonen in de net opgeleverde sociale huurwoningen in de Flakkeesestraat nummer 115, een benedenwoning. Gerrit heeft inmiddels weer zijn oude beroep opgepakt en is weer teruggekeerd naar de visserij. Vanuit IJmuiden, maar nu op de stoomtrawlers. De visserij op de schepen van IJmuiden en zeker op die van de stoomtrawlers was van een ander gehalte dan die van de andere vissersplaatsen. In IJmuiden was sprake van een meer vrije vissersgemeenschap, vooral de bemanningen van de stoomtrawlers waren vrijbuiters. Daar was de invloed van de kerk en het geloof vele malen kleiner of zelfs helemaal niet merkbaar. De bemanningen van de stoomtrawlers stonden bekent als een ruw volk, die nergens bang voor waren en voor niets of niemand terug deinsden. Gerrit Tuijt monsterde in 1928 aan op de IJmuiden 58 Amplitudo. De Amplitudo was een, in opdracht van de Britse Admiraliteit in 1918 gebouwde stoomtrawler, die door de Engelse marine werd ingezet tijdens de eerste wereldoorlog. De Engelse Marine maakte tijdens de eerste wereldoorlog veel gebruik van trawlers die naast het uitoefenen van de visserij uitermate geschikt waren voor marine activiteiten.   Een Nederlandse sleper sleept een baggermolen naar Indonesië Op de achtergrond een bak waar de runners tijdens de reis een hard bestaan hadden In de meeste gevallen werden deze vissersschepen gebruikt als mijnenveger. Onder de naam Adty, N.3771 heeft het gedurende twee jaar voor de Engelse Marine gevaren. Het voordeel was dat deze schepen altijd weer, en snel konden worden gebruikt als vissersvaartuig. In mei 1920 kwam het schip beschikbaar voor de visserij en ging toebehoren aan de Forth Steam Trawling Co in Edinburgh. De nieuwe thuishaven werd Granton in Schotland, de naam werd Forth Vale en het registratienummer GN 52. De trawler was 35 meter lang en had een machinevermogen van 340 pk. In 1925 werd het schip verkocht aan de NV Visscherij Maatschappij Neerlandia in IJmuiden. De naam en nummer veranderden in Amplitudo IJM 58. In augustus 1927 werd Theodorus Pompert uit Den Helder de nieuwe schipper. Deze Dorus Pompert stond bekent als een onverschrokken zeeman. Nergens stond hij voor. Het weer kon nog zo slecht zijn of Pompert vond het nog wel geschikt om uit te varen. Zijn lijfspreuk was ; “ alles kan “ . Op 30 augustus 1923 was hij, als bemanningslid van de reddingsboot Dorus Rijkers, betrokken bij de redding van 34 mensen van het Italiaanse vrachtschip Koefia. Tijdens windkracht 10 wisten zij onder zeer zware omstandigheden de bemanning van het vrachtschip in veiligheid te brengen. De bemanning van de reddingboot, waaronder Dorus Pompert, ontving hiervoor van zowel de Italiaanse regering als van Koningin Wilhelmina een bronzen medaille als onderscheiding. Naast schipper Pompert bestond de bemanning van de Amplitudo nog uit tien personen. Afkomstig uit Den Helder, IJmuiden, Egmond en Scheveningen. Ook dit was anders dan de samenstelling op de Scheveningse vissersschepen, daar was vrijwel altijd de bemanning samen gesteld uit Scheveningers. Op dondermorgen 15 november vertrok de IJM 58 uit de haven van IJmuiden voor de uitoefening van de rondvis visserij op de Noordzee. Er stond een zuidelijke wind kracht 5 en de temperatuur lag rond de 8 graden. De volgende dag ging, in de loop van de middag, het visnet overboord voor de eerste trek. Op vrijdag 23 november viste de Amplitudo ter hoogte van het Hornrif bij Jutland, in de nabije omgeving visten de eveneens uit IJmuiden afkomstige stoomtrawlers Azimuth IJM 195 en de En Avant IJM 73. De IJM 73 stoomde op weg naar IJmuiden en heeft de Amplitudo, die nog vissend was gepraaid. Schipper Pompert vertelde dat ze vier honderd vijftig manden vis aan boord hadden en nog een trek zouden doen. Er waaide een stormachtige wind uit het zuid oosten en er liep een onstuimige, lastige zee. Tot half vier heeft de schipper van de IJM 195 de Amplitudo nog in het zicht gehad. In het begin van de avond begon de wind te ruimen naar het westen en is het de hele nacht vliegend storm weer geweest met een buiten gewoon hoog zee. Daarna is er niets meer van de IJM 58 Amplitudo en zijn bemanning vernomen. Ook nu werd er een onderzoek ingesteld door de Raad voor de Scheepvaart. De IJM 58 Amplitudo verlaat de haven van IJmuiden De stoomtrawlers van IJmuiden Boven: De invloed van kerk en geloof was nauwelijks merkbaar op de trawler vloot van IJmuiden. Onder: De meeste van deze vissersschepen werden in de eerste wereldoorlog gebruikt als mijnenveger. De Amplitudo IJM 58 behoorde tot onderstaande serie schepen. Dorus Pompert, schipper van de Amplitudo stond bekent als een onverschrokken zeeman Op dertien november, twee dagen voordat de Amplitudo ter visserij vertrok was het schip in het dok geïnspecteerd door de Scheepvaartinspectie en na een aantal reparaties zeewaardig verklaard. Schipper Theodorus (Dorus) Pompert stond bij sommige mensen bekend als een zeer onverschillig en roekeloze schipper. Zo zag de haven van Scheveningen er uit tijdens de storm van 25 november 1928 De conclusie was dat de Amplitudo met alle opvarende is vergaan in de nacht van 23 tot 24 november 1928. De Raad acht het waarschijnlijk dat de ramp verband houdt met de hevige storm die toen heeft gewoed. Het is niet gebleken dat er aan de inrichting en uitrusting iets heeft gehaperd. De Amplitudo stond bekent als een der beste schepen van de vissersvloot. Tijdens het onderzoek verklaarde een matroos die, in de voorgaande reis van de Amplitudo, wegens onvrede over het gedrag en houding van de schipper van boord was gegaan het volgende: ..Dorus Pompert was een schipper die hoe slecht het weer ook was altijd door bleef gaan. De schipper heeft in de voorlaatste reis met zijn gedrag 40 nagels uit de huid van het schip weten te stomen. De bemanning uitte daar regelmatig kritiek op maar daar had hij geen boodschap aan. Meerde malen hebben bemanningsleden tegen hun huisgenoten gezegd…je moet maar geloven dat hij ons op een goeie dag er onder stoomt. Ook zei hij regelmatig tegen de jonge bemanningsleden….Ik zal zorgen dat jullie moeders bidprentjes voor jullie kunnen laten maken… In één van de reizen die aan het vergaan van de Amplitudo vooraf ging is Gerrit Tuijt een reisje thuis gebleven. Zijn plaats werd tijdelijk ingenomen door zijn oudere broer Arie. Na binnenkomst riep Arie nooit meer die kerels is gestoord. In een aantal gezinnen in Den Helder, IJmuiden, Egmond en Scheveningen heerste verdriet en verslagenheid. Ook bij Teuntje Tuijt-Harteveld en haar twaalfjarige dochtertje, Teuntje. Tien dagen na het vergaan van de Amplitudo werd er, op 5 december Sinterklaasdag, bij het huis van Gerrit aangebeld en werd er een banketletter en een speculaaspop bezorgd. Gerrit had dit voor dat hij uitvaarde besteld met het verzoek dit op 5 december te bezorgen bij zijn moeder en zijn zusje. Tegelijkertijd kregen ze te horen dat ze niet in de woning aan de Flakkeesestraat mochten blijven wonen. Het huis was voor twee personen te groot, aldus de woordvoerder van de woningbouwvereniging. Op 19 januari 1929, de verjaardag van Gerrit zijn zusje Teuntje, verhuizen moeder en dochter naar de Hoekerstraat nummer 10. De overlijdens advertentie. Een dag later werd er een banketletter en speculaas pop bezorgd, vooraf door Gerrit besteld Gerrit, zag er niet echt als een visser uit, hij hield van mooie kleding Gerrit Tuijt, geboren op zondag 29 mei 1904 is maar vierentwintig jaar oud geworden. Hij stond bekend als een sociale, vriendelijke avontuurlijke levensgenieter. Voordat hij naar zee vertrok gaf hij steevast een rondje aan alle oude stamgasten van zijn stamkroeg Bar 1 op de hoek van de Duinstraat en de Prins Willemstraat in Scheveningen. Café Bar 1, het stam café van Gerrit Tuijt Mink Kuijt Mail naar M. Kuijt
...terug ...home Geplaatst op 20-02-2015 en 659 keer gelezen
Like dit 328 Liked