AFSCHEID VAN EEN STUURMAN

Ik stapte de schemerige en enigszins bedompte slaapkamer binnen. Op bed lag een sterk vermagerde man met een geel gezicht die zwak zijn hand opstak en zei: ‘Hallo karel, leuk dat je me komt opzoeken.’ ‘Is geen moeite Jan, we zijn immers buren,’ reageerde ik. Aan het ziekbed van de oud-visser nam ik plaats en haalde met hem herinneringen op over de periode dat we op dezelfde logger voeren. Ook over die verschrikkelijk nacht op zee waar ik zelf niet zoveel van had meegekregen. Het was met de SCH 121, ‘Oceaan VI.’ Mijn buurman Jan Plugge, met als bijnaam ‘de leren reet’, als stuurman en ik als ‘Jongste.’ ‘Het was toen een mooie tijd op de Oceaan VI. Jij klom altijd als een aap in het want. Ook bij slecht weer als dat nodig was en anderen niet durfde,’ zei ik tegen de man in bed. ‘Ja, ik was niet bang uitgevallen beaamde hij met een flauwe glimlach. Maar die nacht in die zware storm was ik niet helemaal gerust op een goede afloop.’ Hij sloot zijn ogen en dommelde weg. Terwijl ik naar mijn buurman keek, die niet lang meer had te leven, droomde ik weg naar het jaar 1962. In januari van dit jaar was ik aangemonsterd op de SCH 121. We zouden met de trawl in de Duitse Bocht op platvis gaan vissen. Als jongste had ik ’s middags, als de rest van de bemanning de kooi opzocht, de wacht. Je was dan verantwoordelijk voor ‘t schip en zijn bemanning. Op een rustige dag, nadat het trawlnet was uitgezet, kreeg ik van schipper Nico den Heijer, ook wel ‘zwarte Nico’ genoemd, de koers die ik de komende twee uur moest aanhouden. Na een uur kwam de SCH 121 in de nabijheid van een grote internationale vissersvloot. Aan stuurboord naderde een grote Duitse trawler. Door de verrekijker zag ik dat de Duitser ook aan het vissen was. Ik schatte de afstand tussen de twee schepen en draaide het stuurrad een paar tandjes naar stuurboord om achter de trawler langs te koersen. Na een poosje zag ik dat de gecorrigeerde koers niet voldoende was om problemen te voorkomen. Ik gaf het roer nog een paar slagen. De logger was de Duitse trawler nu zo dicht genaderd dat de bemanning op het dek met het blote oog duidelijk waarneembaar was. Ze maakte gebaren over de hachelijke situatie waarin de twee vissersschepen zich bevonden. De Duitser kwam van stuurboord, dus moest de SCH 121 uitwijken. Op een gegeven moment had ik zoveel roer naar stuurboord moeten geven dat de twee stalen lijnen, waaraan de trawl vastzat, bijna haaks op het schip stonden. ‘Dat gaat niet goed,’ dacht ik en twijfelde of ik de schipper zou wekken die achter mij in zijn hut zijn dutje deed. Liever zou ik de stuurman hebben gewekt. Ik deed geen van beiden en besloot om zelf uit de penibele situatie te komen. Gedurende de manoeuvre stond het zweet in mijn handen. Nadat de logger de Duitse trawler veilig achterlangs was gepasseerd was het gevaar nog niet geweken. Ik wachtte nog in spanning af of de trawlnetten, die over de bodem werden gesleept, van beiden schepen niet in elkaar verstrengeld zouden raken. Als dat zou gebeuren zou de schade enorm zijn. De schipper kwam zijn hut uit en vroeg of er nog iets bijzonders was gebeurd. In het kort vertelde ik hem wat er was gebeurd. De ervaren zeeman moest aan het spoor van het kielwater hebben gezien dat er behoorlijk van koers was afgeweken. Toen een reactie van hem uitbleef haalde ik opgelucht adem. Deze wacht had weleens behoorlijk slecht kunnen aflopen. De reis zou voor de bemanning van de SCH 121 nog een onaangename verrassing hebben. Via de zender kwam een bericht binnen dat er voor het komende vierentwintig uur zware storm was voorspeld. De Duitse Bocht ligt op de route van depressies die via IJsland naar het vaste land trekken. De Allerheiligenvloed van 1570 en de Februaristormstorm in 1953 zijn daar voorbeelden van. ‘Sjor alles maar stevig vast, we krijgen zwaar weer,’ zei de schipper. Hoe zwaar het zou worden wist de bemanning ’s nachts pas. In de vooravond was de storm al aangewakkerd tot windkracht negen. Er werd met drie man wacht gedraaid. Ik, de jongste, had wacht te kooi en zou daar pas de volgende ochtend om 7.00 uur uitkomen. Het gebeuk van de golven tegen de boeg van het schip, waar mijn kooi was, weerhield me niet om in een diepe slaap te vallen. Een duwtje tegen zijn schouder was genoeg om klaarwakker te worden. ‘Aan het werk,’ zei Jan Spaans die kok was. ‘Oké, ben wakker,’ antwoordde ik. Ik sprong uit mijn (bovenste) kooi, trok mijn kiel en lieslaarzen aan, draaide een shagje en klom via de trap het vooronder uit om voor de bemanning koffie te zetten. Het schip ging enorm tekeer en ik kon maar nauwelijks op de been blijven. ‘Hou je goed aan de veiligheidslijn vast die we vannacht hebben gespannen,’ riep Jan Spaans mij nog na. Ik had wel eerder een flinke storm op zee meegemaakt, maar nu kon ik mijn ogen niet geloven. Een schuimende watermassa met golven van 10 tot 12 meter hoog omringde de logger. Het schip stond soms bijna rechtop tegen een enorme watermassa om vervolgens weer in een dal van schuimend water te duiken. Ik pakte stevig de veiligheidslijn en liep naar de kombuis achterop het schip. De meeste ruiten van de brug waren gesneuveld. Ook het gatzeil was weggeslagen. Ik stapte over de verhoging de kombuis in en stond tot aan mijn kuiten in het water. Een zware zee die vanachter was ingekomen had de kombuis onder water gezet. Het luik naar de motorkamer was gelukkig gesloten. Als dit niet het geval zou zijn geweest had het kunnen gebeuren dat de motor door waterschade zou zijn uitgevallen. De logger zou dan een weerloos prooi voor de golven zijn geweest. In mei 1962 werd de SCH 121 klaargemaakt om met de vleet te gaan vissen. We hebben toen reizen gemaakt met een goede besomming. Op een dag ontving schipper Nico den Heijer via de zender een bericht dat op nog geen 40 mijl van ons vandaan veel haring was gevangen door een grote internationale trawlervloot. De SCH 121 die, wegens zijn snelheid van 13 mijl en zijn specifieke motorgeluid, ook wel de ‘Jeep’ werd genoemd, stoomde naar de rijke visgrond. In de middag werd de trawl uitgezet. Na een trek van nog geen twee uur werd het net scheep gehaald. Het was gelijk raak. De volgende trekken zat het net ook vol met haring. In de avond stoomde de SCH 121 met een vol ruim naar Scheveningen. Mijn buurman opende zijn ogen weer en zei zachtjes: ‘het was de zwaarste storm die ik ooit op zee heb meegemaakt. Windkracht 12 met uitschieters. Op een gegeven moment sloeg er een enorme zware zee over het schip en vernielde bijna alle ruiten van de brug. Schipper Nico den Heijer, Krijn Plugge en ik hadden op dit moment de wacht. We werden door de brug gesmeten en bij Krijn stak een groot stuk glas uit zijn arm. Tot twee keer toe werd het gatzeil weggeslagen. Zonder het zeil was het nog moeilijker om het schip met zijn kop op de wind te houden. Ik zag dat de schipper stil voor zich uit stond te staren. Het was een verschrikkelijke nacht.’ Aan zijn sterfbed kreeg het verhaal, over die nacht op zee, voor mij een extra lading. Nog niet eerder had ik het zo gedetailleerd gehoord. Toen de oud-visser zijn ogen weer opendeed keek hij me aan en mompelde: ‘Een verschrikkelijke nacht, dat was het.’ Hij liet erop volgen: ‘De Heere Jezus wacht op me.’ Ik nam afscheid van mijn buurman en realiseerde me dat ik hem niet meer zou spreken. Twee weken later overleed mijn buurman die lang geleden ook mijn stuurman was geweest en de logger en zijn bemanning door een zware storm had geloodst. De SCH 121, Oceaan VI. met Karel Kulk (links) en Jan Spaans in het vooronder. Van links naar rechts: Jaap de Roode, N.N., Karel Kulk en in de brug schipper ‘zwarte’ Nico den Heijer. (1962) Karel Kulk Scheveningen © 2015 Reacties: Karel Kulk
...terug ...home Geplaatst op 29-09-2015 en 1857 keer gelezen
Like dit 212 Liked