Coenens schatkist deel 4

De zalm

De naam viel in het voorgaande artikel al en passant; maar Coenen besteedde in zijn 'Visboeck' aan de zalm zóveel aandacht dat deze om méér ruimte vroeg dan dat vorige artikel mij kon bieden. Die aandacht van Coenen had uiteraard zijn reden: de zalm was voor hem handel in optima forma. Want men behoefde in de 16de eeuw niet naar Zweden, Noorwegen of Canada om aan zalmen te komen; ze zwommen namelijk in grote hoeveelheden voor onze eigen Noordzeekust. Het gegeven van die jaren maakte op Coenen blijkbaar veel indruk want hij vulde er meerdere folio's met impressies mee in zijn boek (89 t/m 93). Terwijl hij daar enerzijds vertelt over de - eveneens de zalm beschrijvende - Zweedse geleerde en bisschop Olaus Magnus (ten dele een tijdgenoot), schrijft Coenen anderzijds uit eigen waarneming en uit eigen ervaring over deze bewuste vissoort, die hij in twee groepen onderverdeelde.

'Int beginsel van Januwarius'

Coenen is er kennelijk gemakkelijk voor gaan zitten en hij begint aldus: 'soe ist dat men Aen onsen ouere (kust: auteur) van der se (zee: auteur) bij onse vischers wonende langers de kuste van hollant van de mase af tot maesdiep toe alle die vischers op die dorpen den salm vangen op haren tijt'. Voor de goede orde: de door Coenen steeds als 'maesdiep' vermelde waterloop kennen wij nu beter als het Marsdiep bij Den Helder. Hij maakt een onderscheid tussen winter- en zomerzalm; de visserij op de eerstgenoemde startte in het begin van januari en ze liep door tot in mei. Deze seizoenvisserij was trouwens aan voorwaarden gebonden; de zalm werd 'desen tijt ghevangen alst wt (uit: auteur) den West zuydwesten wel hart waijt met motreghen'. Want het zeewater was dan 'dic'. Wanneer echter de oostenwind ging overheersen werd het water 'claer'. Dan verdween de zalm en kon men de netten maar het beste gaan 'opdrooghen'. Hierna volgde de zomerzalm die kleiner was en die zich ongeveer vertoonde vóór 'sint Jansmis' ( 24 juni). Die zomervisserij op zalm duurde tot aan de herfst en net als bij de wintervisserij was 'den zuytwesten wint' een factor van betekenis en 'den oosten wint' een spelbreker. Bij zo'n afwijkende wind schoten en zwommen de zalmen naar Coenens bevinden de Maas in, richting Lek landinwaarts. De riviervissers van Den Briel, Maassluis en Zwartewaal zagen dan hun kans schoon en niet ten onrechte want op grond van eigen waarneming vertelt Coenen ervan: 'inde vermaerde stadt van dordrecht wort een ontelbaren salm dagelijcx ten afslach gebrocht'.

Drijfnetten en fuiken

Coenen merkt verder nog op dat die zalmvisserij zich zó pal onder de kust afspeelde dat de daar aanwezige mensen konden volgen hoe de vissers hun netten binnenhaalden. Over die netten weet hij trouwens ook het een en ander te schrijven. Uit zijn tekst blijkt onder meer dat niet iedere visser in staat was om op zalm te vissen. Het waren naar zijn zeggen met name 'de rijckste vischers die salmwant hebben bij ons want het cost veel gelts'. Coenen licht het nader toe; de te gebruiken netten moesten namelijk 'zeer starck ende nieut (nieuw: auteur) wesen of den salm breect daer doer'. Van de zalm is bekend dat hij een goede springer is; daarbij mag ervan worden uitgegaan dat zijn sprong met kracht wordt ingezet. Uit het relaas van Coenen valt op te maken dat een zalm blijkbaar in staat was, een zodanige kracht te ontwikkelen dat hij bij zijn vangst een niet te sterk net kon doorbreken. Dit hield in dat men voor de zalmvangst speciale netten moest hanteren die 'veel onghelijcker stercker en dicker' waren dan de sleepnetten die men inzette bij de schol-, schelvis- en kabeljauwvangst. De riviervissers plaatsten volgens Coenen voor de vangst van zalm schuttingen in de rivier waartussen zij fuiken vastzetten. Daarnaast hanteerden ze 'drijfnetten' die men wellicht enigszins kan vergelijken met de staande netten zoals die voor de vroegere haringvisserij in gebruik waren, zij het met andere mazen.

Vet varken

Coenen vertelt dat hij 's winters van 'onse vischers' zalmen kocht die wel 50 pond wogen. Hij kocht die om ze door te verkopen in Brussel en Antwerpen. Er zijn ook tijden geweest van zalmschaarste want van zijn ouders hoorde hij dat ooit in hun tijd een zalm werd verkocht voor een bedrag, gelijk aan de prijs van een 'vet vercken'. En over bisschop Olaus die breed uitpakte over de vele zalm die de Zweden daar vingen merkt hij op dat die dan maar eens in 'ons cleyne landeken' moest komen kijken.
© Piet Spaans 2009 historisch publicist en auteur Den Haag Holland
<< Vorige Volgende >>
...home Geplaatst op 13-02-2009 en 1227 keer gelezen Like dit 494 Liked