Coenens schatkist deel 7

De cyclus van de vissen

Coenen beschouwde de zee als een vloeibaar podium waar, op hoog bevel van 'Godt almachtich', elke vissoort op haar bestemde tijd verscheen, en na een nieuw bevel vervolgens verdween 'int diepe of daer hem godt sent' (347). In Coenens beleving kenden en aanvaardden de vissen de tijd en de cyclus om in Gods opdracht uit het diepe naar boven te komen en kustwaarts te zwemmen. Coenen hanteerde daarvoor een aantal perioden; de eerste daarvan ving aan in september. Dat was de periode waarin de wijtingen, door Coenen vaak 'bolck' genoemd, verschenen. Er vond nu een grappige koppeling plaats tussen twee gebeurtenissen. In deze periode namelijk zetten zogeheten vinkenvangers -'vinckers' genaamd - hun netten uit om deze vogeltjes te vangen. En omdat men op 8 september de geboorte van de maagd Maria vierde, noemden 'vinckers' deze dag de 'vincke lieve vrou'. De vissers namen dit vervolgens over en spraken, wanneer hun visserij op de 'bolck' begon, van de 'bolck lieve vrou'. In november, juist rond de tijd waarop de 'rijcke luyden' hun buik stilaan vol hadden van deze 'bolck' en smeekten om andere vis, verdween ze om plaats te maken voor de schelvissen. En evenals de wijtingen, verschenen ook de schelvissen in massa's aan de kust zodat de bewoners van het directe achterland de schelvissen vers - en zij van 'veel varde landen' deze gezouten - konden eten. Coenen kocht ooit uit één vangst van een visser zo'n 3200 grote schelvissen.

'Sint Antonis'

Rond de vierdag van de heilige Antonius - de patroon van Scheveningen - op 17 januari en gaande naar 'vrouwen lichtmis' op 2 februari, werd het voor de schelvissen tijd om te vertrekken, Ze maakten dan plaats voor de kabeljauwen. Deze te vangen kabeljauwen werden meestal gezouten. Vervolgens splitsten de vissers zich op in twee groepen: een groep die met de hoeken of haken op kabeljauwen bleef vissen en een andere die er met de netten op uittrok voor de scholvisserij. Ook hier waren in het algemeen de vangsten ruim; een deel van de schollen ging vers ter markt terwijl een ander deel werd gezouten in tonnen of werd gedroogd. Als bijvangsten van de schollen noemt Coenen tarbotten, kanen, scharren en tongen; bij de kabeljauwen betrof het roggen, vleten en heilbotten. Dit alles duurde tot aan de meimaand; de schollen en kabeljauwen verdwenen dan en zowel zalmen als elften kwamen zich aanbieden. Van de zalmen wordt nog opgemerkt dat deze de zomerzalmen betroffen. Terzelfdertijd kwamen opnieuw de schelvissen in beeld die men, vanwege de maand waarin ze thans ten tonele verschenen, plaatselijk bestempelde als 'meyvissen'. Ook ving men in deze periode nog aardig wat tongen die in 'onse naeste steden den rijck dom eeten met die cruysbesien (kruisbessen: auteur)'.

Pinksteren

Eind mei, begin juni trokken veel jonge vissers uit Scheveningen weg naar de haringsteden om daar aan te monsteren op de buizen die zouden uitvaren ter haringvangst. Het vertrek van deze buizen was direct na Pinksteren, van oudsher de tijd waarop de vloot van de haringsteden naar Shetland vertrok vanwege de nieuwe haringteelt. Voor de kust verdwenen intussen de 'meyvissen' en daaropvolgend dienden de pietermannen zich aan. Deze werden gevangen 'van onse visghers die tuys gebleven sijn' en ze vingen die vissen met name in tijden waarin het 'warme sonnescijn es en stil weder'. In zijn boek schrijft Coenen dat de laatstgenoemde vissers 'meest oude mannekens en den gemackelijcke visgers zijn die somers tuys blijven'. Hun visserij op pietermannen besloeg de gehele zomer tot aan begin september, het moment waarop de pietermannen het diepe opzochten. Het werd opnieuw de tijd waarin de wijtingen of 'bolcken' zich aandienden. De cyclus was gedaan en dus was de cirkel rond.

Wat ontbreekt…

Twee zaken die Coenen niet in zijn cyclus heeft opgenomen zijn opmerkelijk. Dat is ten eerste die van de vangst op haring in de herfst met de pinken die vanaf het strand in zee gingen. Het betrof hier de najaarsharing die onder de kust werd gevangen, die vers werd aangevoerd en die plaatselijk werd gerookt of gedroogd. Hieruit kan opnieuw worden opgemaakt dat deze visserij voor het dorp van weinig belang zal zijn geweest en het bevestigt een eerder naar voren gebrachte mening daarover. Ten tweede zwijgt Coenen bij zijn toelichting van de cyclus over de vangst 's winters van de winterzalm. Alhoewel hij die vis in een eerdere rapportage over de zalm wél noemde, was ze niet van een zo groot belang dat hij deze hier meende te moeten melden. Zelfs Coenens uitvoerigheid kende haar grenzen!
© Piet Spaans 2009 historisch publicist en auteur Den Haag Holland
<< Vorige Volgende >>
...home Geplaatst op 13-02-2009 en 1224 keer gelezen Like dit 492 Liked