Coenens schatkist deel 11

Verdere studieobjecten

Wie nu zou denken dat, na al het voorgaande, Coenen intussen aan het eind van zijn beschouwingen en verhalen zou zijn gekomen heeft het bij het verkeerde eind. Want zoals al eerder werd vastgesteld gaf het 'Visboeck' - ondanks zijn toch wel zéér expliciete titel! - aan Coenen de ruimte, deze titel zo vrijblijvend te interpreteren als het hem maar beliefde. En zodoende werd zijn boek een opmerkelijke bundeling van verhalen en meningen over vissen, zoogdieren, vogels, vreemde wezens, natuurverschijnselen, religie, geesten en mystiek. Datgene wat hij - met uitzondering dus van de vissen - over een en ander schreef is door Coenen vooral overgenomen uit werk van anderen; het gaat daarbij met name om boeken van onderzoekers van buiten het eigen land. De vissen zijn besproken, daarom nu de beurt aan de viervoeters.

'Van coijen, scapen en eesels'

Coenens opsomming van de hierna uitvoeriger te vermelden en te behandelen dieren begint - fraai ingelijst - aan de top van een folio (28) en de aanhef luidt aldus: 'daer sijn veel sonderlinge gedierten op ter aerden'. De toon lijkt hiermee gezet, maar Coenen begint daarna met het benoemen van aan ons bekende dieren als koeien, schapen, ezels en varkens en hij merkt daarbij op: 'die coijen ende scapen zijn over al wel bekant Want zij zijn ouervloedich in onse hollant'. Van de ezels schrijft hij: 'die eesels en worden niet gegenereert (in deze zin bedoeld als gefokt: auteur) in onse hollant'. Verder zijn afgebeeld varkens, konijnen, hazen en een windhond. Bij het citaat over de konijnen meldt hij van de destijds te Scheveningen verblijvende Spaanse soldaten: 'de spangers (Spanjaarden: auteur) hebben der veel doen ruijmen'. Door het vervolgens tonen van een eenhoorn en een olifant (29), een vermoedelijke leeuw met een even vermoedelijke panter, een dromedaris en een bruine beer (30) treedt Coenen buiten de landsgrenzen van zijn tijd. Hij verrast tot slot met een afbeelding van een tweetal dieren (31 bovenaan) waarbij hij opmerkt: 'Dit beest es in onse hollant onbekent' daarbij in het midden latend welke van de beide dieren hij bedoelt en wat ze elk moeten voorstellen. Dan schiet Coenen plotseling weg van alle 'gedierten' door uitvoerig een psalm van David te citeren.

'Int Pausdom'

Nu, via de zojuist genoemde psalm, toch de flanken van de religie zijn bereikt, is, in het verlengde hiervan, een tweetal teksten - die over de bever (264) en over de otter (265) - nogal opmerkelijk. Coenen schrijft van de eerste: 'Den bever es den staert met die after voeten voor vische gherekent ende dat voorlijf voor vleijs Dit Int pausdom daer de paus sijn ghebot heeft soe laet hij den staert met de achterste voeten toe te moghen eeten inde vasten ende op zijn verbooden vleijs dagen maer dat voorlijf niet'. Voor de otter gold dit, in vrijwel dezelfde bewoordingen, evenzeer. De stelling kwam er op neer dat 'Int Pausdom' - de wereldlijke gebieden waarin de woorden van de paus golden als wet - men op rooms-katholieke vastendagen (waarop géén vlees maar wél vis mocht worden gegeten) een uitzondering mocht maken voor het vlees van bevers en otters. En heel expliciet ging het dan om twee zoogdieren waarvan de status wat onduidelijk leek, met name waar het hun beider achterzijden betrof. De staarten en achterpoten van de beide zoogdieren wijken vrij sterk af van dieren die op het land leven. Men loste dit dan ook op door op vastendagen onderscheid te maken tussen de voor- en de achterzijde van de diertjes. Zo verbaasde een conservator van een Utrechts museum zich al langere tijd over een 16de eeuws schilderij met daarop een stilleven van vissen samen met een liggende, dode otter; hij begreep de aanwezigheid van dit beestje niet. Tijdens een gesprek daarover wees ik hem op Coenens tekst waarna ook voor hem plotseling het muntje viel.

Vogels

Ze passeren samen met de 'Jan van Genten' en de 'zee kueten' de revue: de 'Schol Aecksteren', de 'berch eenden', de 'zant loperkens', de meeuwen en de 'scit valck' (232). De laatste kreeg bij Coenen een speciale plek daar deze vogel een bijzondere manier hanteerde om aan voedsel te komen; de vissers vertelden Coenen erover. Het kwam er op neer dat, wanneer een meeuw aan boord van een schip een vis opslokte en wegvloog, de 'scit valck' haar zodanig belaagde dat de meeuw haar eten uitpoepte. Jongens aan boord van het schip die het zagen riepen dan tegen de meeuw: 'scijt hoer scijt soe wort ghij den valck quijt'. Het misverstand was er echter in gelegen dat de meeuw van angst kokhalsde en het voedsel aldus loosde…
© Piet Spaans 2009 historisch publicist en auteur Den Haag Holland
<< Vorige Volgende >>
...home Geplaatst op 13-02-2009 en 1224 keer gelezen Like dit 492 Liked