De verdwijning van de spionagelogger KW 110 . deel 2

Het vertrek naar zee

Hoe afwijkend de werkelijkheid rond de KW 110 is geweest zal in dit artikel blijken. De tijdens de Tweede Wereldoorlog in Engeland – en na die oorlog in Nederland opgemaakte officiële verslagen, gevoegd bij de opgetekende verhalen die al in het voorafgaande artikel werden genoemd, geven een goed te volgen inzicht in de ontwikkelingen rond de KW 110 tijdens en na haar vertrek. Elk vissersschip dat voor de MAO van Strauch uitvoer en daarbij werd bemand met een vertrouwensman, moest vooraf aanmeren bij het gebouw van de Hafenüberwachungsstelle IJmuiden. In IJmuiden was van een zelfstandig handelende Havendienst al geen sprake meer. Zoals zulks plaatsvond bij de meeste organen en instellingen die van nationaal en/of van economisch belang waren, was ook de verantwoordelijkheid voor de IJmuidense Havendienst uit handen genomen van eerder aangewezenen. De gang van zaken in en rond de IJmuidense havens was dus na de capitulatie geheel in beheer bij dit door de Duitse bezetters ingestelde orgaan met de naam ‘Hafenüberwachungsstelle IJmuiden’. Jan Dirk Vader Binnen deze Hafenüberwachungsstelle werd, naast de daar fungerende officieren van de Kriegsmarine, tevens een grote rol vervuld door een voormalige Nederlandse koopvaardijofficier. Het ging om Jan Dirk Vader. Hij was eerst dokmeester en werd later gezagvoerder bij het Surinaamse Gouvernement. Vervolgens werd hij inspecteur bij de Sanitaire Havendienst te Amsterdam terwijl hij in 1939, bij de instelling van de mobilisatie, werd ingedeeld bij de Koninklijke Marine in de rang van Luitenant 2e klas. Jan Dirk Vader was een fanatieke NSB’er en hij vond dan ook weldra na de capitulatie van Nederland – via via – een weg naar een hem aanlokkende functie. Alles wat met vissersschepen en met daaraan gekoppelde bezigheden te maken had passeerde hem en Pieter Grootveld Sr. had dan ook op zijn beurt via de leidinggevende Duitsgezinde functionaris Vader zijn weg gevonden naar een plekje op de spionerende vissersvloot en zulks als schipper. Contactman Joppe In het gebouw van de IJmuidense Hafenüberwachungsstelle – dat was gelegen aan een havenkade – zetelde tevens de Nederlandse oud-gezagvoerder en eveneens fanatieke NSB’er Benjamin Joppe. Hij was niet verbonden aan de IJmuidense Hafenüberwachungsstelle maar maakte deel uit van Strauchs Marine Aussenstelle Overveen. Joppe had, evenals de reeds genoemde vertrouwensmannen Willem Maarleveld, Johannes Dijkstra en Pieter Grootveld Jr., een opleiding genoten bij de – door de Duitse Abwehr geleide – Funkschule aan de Cornelis Jolstraat en aan de Johan van Oldenbarneveltlaan te Scheveningen. Daar werden de aspirant-vertrouwensmannen klaargestoomd voor hun spionagewerk vanaf de Noordzee. Joppe had echter tussentijds een nierziekte opgelopen en hij was daarom sindsdien vanaf de wal de vertrouwensman en de contactpersoon tussen Strauchs MAO en de bijna dertig roulerende vertrouwensmannen. Hij had vanuit zijn in de Hafenüberwachungsstelle gevestigde kantoor het beheer over de persoonlijke eigendommen van de afvarende vertrouwensmannen en voorzag hen bij hun vertrek van seinapparatuur, wapens en munitie. Ook de logger KW 110, onder gezag van schipper Pieter Grootveld Sr., legde op 29 augustus 1942 vóór haar vertrek en volgens de toen geldende regels aan bij het kantoor van de contactpersoon Joppe. Daar ook ontving de vertrouwensman Dijkstra zijn instructies, zijn apparatuur en zijn wapen. En schipper Grootveld hoorde terzelfder tijd ongetwijfeld van de daar gevestigde Hafenüberwachungsstelle dat hij op 30 augustus terug werd verwacht in de haven van IJmuiden. Dit vereiste tijdstip kan nader worden opgemaakt uit de datum van hun vermissing, genoemd in de bepaling van het Departement van Waterstaat waarmee het voorgaande artikel opende. Bemanning Alhoewel ongebruikelijk, verzorgde de reeds eerder door Grootveld aangezochte jeugdige stuurman Jacob de Mos de samenstelling van een bemanning. Hij wist zijn schipper ervan te overtuigen dat hij zelf gemakkelijker dan Grootveld de aspirant-vissers zou kunnen vinden. Maar in werkelijkheid had hij het plan opgevat, met het vissersschip over te steken naar Engeland en dit dan vanzelfsprekend zonder voorkennis van zijn schipper. De Mos vond negen mannen bereid, aan te monsteren op de KW 110 en mee te helpen bij de kaping van het schip. Hun namen waren J. de Roode, A. de Mos, M. Verbaan, N. van der Zwan, J. Klijn, J. Harteveld, C. den Heijer, W. Bron en W. Spaans. Tot schrik van Jacob de Mos had zijn schipper echter in IJmuiden nóg twee mensen aanggetrokken: D. Bakkenes en J. Roest. En daar zij beiden niets wisten over De Mos’ drieste plannen vormden zij voor hem twee zwakke schakels. Maar men wilde coûte que coûte meteen varen en die bewuste zaterdag 29 augustus was daarvoor de dag bij uitstek: wat minder Duitse controle aan de wal en ook minder op zee. Dus toen de vertrouwensman Dijkstra aan boord was gestapt, de bemanning officieel was aangemonsterd en de havenautoriteiten toestemming hadden gegeven om af te meren, kon men om 18.00 uur vertrekken. Twee lezingen Over het juiste tijdstip van de overmeestering van de schipper en van zijn vertrouwensman lopen de lezingen uiteen. Spreekt de ene lezing over de zondagavond, de andere noemt de zaterdagavond als het tijdstip van de kaping. De Engelse rapporten die de zaterdag noemen zijn van de jaren 1942 en 1944, de later vertelde verhalen dateren echter van 1992, 1997, 2003 en 2007, dus zo’n vijftig jaar later. Men moet daarom aannemen dat de Engelse lezing het meest voor de hand liggend is. Hieronder volgt een deel van de tekst van de, uit het Engels vertaalde, verslagen uit 1942 en 1944 van de Britse Intelligence Service. Ze werden door deze Dienst naar de Nederlandse Veiligheidsdienst gezonden. Hier volgt de tekst. “Op Zaterdag 29-08-1942, om 18.00 uur, verliet de KW 110, met als schipper Pieter Grootveld en de radio-telegrafist Johannes Albertus Dijkstra aan boord, met een bemanning van twaalf koppen, IJmuiden naar de vischplaatsen in de Noordzee. De koers was N.N.W. maar, tengevolge van de geringe kracht van de motor, schoot men maar langzaam op. Diezelfde avond ongeveer 21.00 uur, juist nadat het laatste radiorapport voor die dag was uitgezonden, kwam de stuurman, Jacob de Mos, bij den schipper die de wacht had en vroeg hem naar beneden te gaan naar de hut van Dirk Bakkenes, den kok, die, naar hij verklaarde, ziek bleek te zijn. De schipper haastte zich naar beneden, op de voet gevolgd door De Mos en vond Bakkenes in zijn kooi liggen. Nauwelijks was hij in de hut of hij hoorde de deur achter zich op slot doen en De Mos er van door gaan. Bakkenes, die natuurlijk in het geheel niet ziek was, sprong onmiddellijk van zijn kooi op en ontkwam door het luikgat naar het dek, terwijl de schipper hem achterna klauterde.” Een kleine aanpassing is op zijn plaats, daar de rapporteur de leefsituatie aan boord van een logger niet goed kende. Een logger telde geen hutten maar een onderdeks ‘voorin’ waarin een deel van de bemanning sliep en verbleef. De schipper, de stuurman en de motordrijver beschikten in het achterschip over een onderdeks ‘achterin’. In dit speciale geval verbleef óók Dijkstra achterin. Men sliep in, in de zijwanden ingebouwde, ’kooien’. De onderdekse ruimten werden afgesloten door een horizontaal, zwaar metalen luik. Het verslag vervolgt. “Ondertusschen had De Mos reeds de hut van den radio-telegrafist bereikt en riep hem aan dek, oogenschijnlijk om naar een naderend vliegtuig te kijken. Dijkstra, die een luchtaanval vreesde, verscheen behoedzaam aan dek en werd onmiddellijk aangevallen door verscheidene leden van de bemanning en gebonden. Hij kreeg bevel te zeggen waar zijn revolver verborgen was en één van de mannen ging naar beneden om ze uit zijn hut te halen. Zijn zender was reeds overboord gegooid en nu werd zijn tweede apparaat, het laatste type waterdichte zender en ontvanger uit een reddingsboot gehaald en onderging hetzelfde lot. Daarop werd door de bemanning, zoowel aan Grootveld als aan Dijkstra medegedeeld, dat ze van plan waren met de KW 110 naar Engeland te varen en het was met dit doel voor oogen dat zij hadden besloten te IJmuiden op de trawler aan te monsteren.” Voor de duidelijkheid moet worden opgemerkt dat de KW 110 geen trawler maar een logger was. Verder moet worden opgemerkt dat men te maken kreeg met mijnenvelden en – bij een te lang wegblijven – met de dreiging van naar hen speurende Duitse snelboten. Aan land op de Fish Quay Schipper Grootveld en de radio-telegrafist Dijkstra beseften dat zij moesten voldoen aan de wensen van de bemanning en Grootveld droeg daarom het schip over aan zijn stuurman Jacob de Mos. Dijkstra kreeg de opdracht om verder in het voorin te verblijven. En vervolgens koerste men verder richting Engeland. In de loop van maandag kwam er een dikke mist opzetten. De KW110 had tot dan toe met succes de Engelse mijnenvelden langs de kust kunnen passeren en zij waren intussen Scarborough genaderd. De volgende dag – het was intussen 1 september – bereikte de KW 110, intussen geëscorteerd door een Engelse bewapende trawler, West Hartlepool waar de bemanning aan wal stapte op de Fish Quay. Daar vandaan vertrokken zij naar Londen voor een nader onderzoek en voor een eventueel verhoor. Verder verloop Een deel van de verhoren richtte zich met name op de vertrouwensman en radio-telegrafist Dijkstra. Men had met hem een voor de vijand werkende spion te pakken. Tijdens een eerder onderzoek, in aanwezigheid van de Security Control Officer te Middlesborough, was Dijkstra door de vissers al aangeduid als een geheime Duitse agent. Een van de mannen had zelfs tijdens of na de overmeestering van Dijkstra een papier bij hem weggegrist dat een mededeling in code zou bevatten die Dijkstra op een zeker moment zou moeten uitzenden. Gedurende het onderzoek werd nog door een andere tak van de Engelse Geheime Dienst, de M.I. 5, gemeld, dat Dijkstra een bekend contact was van een zekere Schipper, een enkele maanden voordien overgelopen vertrouwensman die intussen was geïnterneerd in het Engelse Camp 020. Piet Schipper, in de voorgaande reeks ‘Spionageloggers’ al vermeld, had in april 1942, na zijn opmerkelijke vlucht naar Engeland, daar al Johannes Dijkstra genoemd als een der vertrouwensmannen die werkten voor de Duitse Geheime Dienst te IJmuiden. Vanzelfsprekend werd ook de collaborerende schipper Grootveld aan de tand gevoeld, maar zijn bijdrage kon zich slechts beperken tot bij de spionage betrokken rederijen en schepen. Conclusie De meeste bemanningsleden, op de twee jongsten na, traden in dienst van de Koninklijke Marine of monsterden aan op de koopvaardij. Jacob de Mos werd schipper op een motortorpedoboot en werd meerdere malen onderscheiden. Ook werd hij ontvangen door de toenmalige koningin Wilhelmina. De eerdere komst van Piet Schipper naar Engeland en de latere arrestatie van Dijkstra bleken voor de Engelse strijdkrachten van belang. De vertrouwensmannen waren in algemene zin te weinig professioneel opgeleid om voor de geallieerden relevante gegevens achter te houden. Zij hadden niets te verliezen en Schipper en Dijkstra hebben, naar uit verhoren blijkt, daarop geen uitzondering gemaakt. Weldra wist men aan Engelse zijde vrij goed hoe de vork in de steel zat, welke schepen bij de spionage waren betrokken, wat de afspraken waren met de betrokken schippers en reders en wie de algehele leiding had in het operationele gebeuren op de Noordzee dat werd aangestuurd vanuit Nederland. Het zou meer nog dan tevoren de levens gaan kosten van tientallen vissers want de geallieerde vliegers kenden nu hun doelen. Grootveld en Dijkstra werden voor de verdere duur van de oorlog in Engeland geïnterneerd en na de oorlog overgevlogen naar Nederland waar zij werden voorgeleid.
© Piet Spaans 2011 historisch publicist en auteur Den Haag Holland http://nl.wikipedia.org/wiki/Piet_Spaans
<< Vorige
...home Geplaatst op 17-09-2011 en 1121 keer gelezen Like dit 968 Liked