Varen met Jagers op Vis. deel 9

Op deze kolen stoker is er geen beschutte route tussen de verblijven en de brug.. Als je wilt gaan eten, of naar het toilet wilt gaan, moet je het dek op. Voor de matrozen is het zelfs nog slechter. Zij moeten over het blootgestelde voordek komen en moeten gebruik maken van lijf lijnen. Als het echt heel slecht wordt, zitten ze opgesloten in het voorin. Er staat altijd een ketel cacao, vast gezet met slinger latten op de kombuis kachel en een grote schaal met gebakken vis op de tafel. Ik duik weleens de kombuis in om wat te roken en als ik daar ben, pak ik een stuk vis en een warme dronk. Bij slecht weer, spoelt er altijd veel water over het dek, daarom ga ik soms over de opbouw en langs de trap naar beneden ,op het achter eind bij de accomodaties. Niemand anders doet het op deze manier. Ik ga op weg naar achteren , bij slecht weer in het donker van de Poolnacht. Ik heb nergens beschutting en ben me er van bewust dat de wind vat op mij heeft en de brekers rond om mij heen zijn en het witte schuim om mij heen stuift. Ik voel me plotseling kwetsbaar en verlaten. Als ik terug ga naar de brug, verteld de bootsman mij dat ik dat nooit meer mag doen. Het is geen raad. Het is een bevel. De volgende dag besluiten de jonge matroos en ik om tegelijk te gaan roken. Op dat moment is het weer afschuwelijk en het schip maakt wat slagzij. Om even iets te gaan drinken is een kwestie van lieslaarzen aan trekken. De jonge matroos heeft hierin meer ervaring dan ik. Hij gaar door de deur aan de lij zijde , over de opbouw, de ladder af en je staat manmoedig op het hoofddek. Ik neem er de tijd voor. Ik ga de ladder af en ..........Beng. Een ontzettend grote golf breekt op de andere zijde van het schip. Het spoelt over alles heen. Instinct matig haak ik mijn armen rond de treden en knijp mijn handen samen , als er een muur van ijskoud water over de opbouw spoelt, langs de schoorsteen stroomt en over mij heen stort. Ik word overspoeld door een ijskoude massa. Ik weet niet of ik nog aan boord ben of in de zee lig en of het schip nog drijft of is gezonken. Het water begint weg te stromen en een smalle gele staaf komt langzaam in het gezicht. Het lijkt wel een natte sigaret. Deze golf had zojuist een grote deuk geslagen in de andere kant van de schoorsteen. Daarna zie ik de derde man,.... die officier van de wacht is,..... met zijn neus gedrukt tegen het raam van het stuurhuis.. Hij vertelde mij later dat hij verwacht had dat ik overboord was geslagen en de telegraaf al op stand -by had gezet.. Als ik dit maal over het bootdek zou zijn gegaan, zou ik het niet hebben na verteld. Ik stond nu op het op en neer gaande hoofddek, met mijn lieslaarzen tot de rand toe gevuld met zeewater. Na deze ervaring...... spreek mij nooit meer over handicaps. Mijn benen en lichaam waren bevroren en ongevoelig. De jonge matroos was al onder het shelter dek en hing met handen en voeten als een aap aan een pijp. Hij was vrij van het dek. Ik strompelde naar hem toe, met stijve en loden benen ........ .......en Bang.. Nog zo'n golf stortte zich op het schip. De jonge matroos schreeuwde... kom hier. Ik kan het niet. Mijn benen zijn te zwaar. Ik schreeuwde en ik sloeg mijn armen rond de leuning van de opbouw. En nu kwam het water rond de opbouw, sloeg tegen mij aan, tot aan mijn middel en sleurde en trok aan me. Ik hing aan de leuning of ik er aan vast was gelast.. Ik was te bang om te sterven. Met al de deuren naar de accomodaties had ik nu moeite mee. Ik kon er niet naar binnen gaan met mijn laarzen vol met zeewater en het schip werd nog steeds door golven overspoeld. Uiteindelijk was ik terug in mijn hut en verwisselde mijn kleding. Kijk hij ..........de marconist staat te beven .......zei de tweede machinist. Hij moet haast bevroren zijn. Dat is niet van de kou, gromde de stuurman. Het is alleen maar angst. Beiden hadden gelijk. De zee was niet het enige probleem. Ze bouwen ook gevaren op schepen in.... om ons allert te houden. Harry, een van de stokers, had een dagelijks karwei, om kolen van de stookplaat naar de kombuis en hutten te brengen, om de voorraad aan te vullen. Wij zijn nu weer vissende. En een groep van ons gaat weer aan het werk na een maaltijd te hebben genuttigd. Als wij nog in de gang staan, klimt Harry de ladder van de machine kamer op, met een zak kolen op zijn schouder. Plotseling bezwijkt de ladder onder het gewicht. De zak en de ladder stortten neer op het metalen dek beneden. Harry slingerde schreeuwend heen en weer in de ruimte, met zijn ellebogen over de zeewering van de deur.. De kok komt uit de kombuis en ziet wat er gaande is. Wat is er gaande Harry, ....vraagt hij met een zekere stem, .....neerkijkend op Harry. Ik wil naar beneden,..... Ik wil naar beneden, schreeuwt Harry. Nu... laat los en je valt naar beneden .. was het antwoord van de kok. Terug in der radio hut luister ik naar de trawler band. Hier komt kapitein Parrot ten tonelen. Hij is een schipper uit Grimsby die zijn reis begon bij noord oost IJsland. Nu is hij ook hier in de Barentszee. Hij moet van Beren eiland of vanaf Jan Mayen naar hier zijn gekomen. Hij is momenteel al twintig wonderlijke dagen op zee en heeft al extra bunkers aan boord moeten nemen in IJsland. Het kost mij een fortuin, jammert hij. Wij verdienen niets deze reis. Hij blijft maar door gaan met klagen, ....zoals schippers altijd doen. Zodra hij maar even ophoudt, breekt er iemand op de lijn in en krijst..... Mooie Jongen of Wiens mooie jongen ben je dan.? Ik kan nergens vis vinden, klaagt kapitein Parrot en weer dat gekrijs van ....“mooie jongen” En het kleine beetje vis wat we hebben , ligt te rotten en weer gevolgd door het gekrijs van “mooie jongen”. Ik stel voor om een peiling van hem te nemen, maar Eddie antwoord is zoals altijd... garn- fuck. Ik moet voor Eddie een schip oproepen, Hij wilt met andere schippers praten. Maar het is overal hetzelfde. ... iedereen vangt niets. En hij eindigt altijd met dezelfde woorden... Het komt door de marconist die ze op deze reis mij hebben gegeven. Het is een vervloekte Jona uit West Riding. Dat wordt zijn persoonlijk amen, aan het einde van ieder gesprek. En voor Eddie... Alles wat verder ligt dan der stank van de vismeel fabriek in het dok in Hull, is West Riding, ofschoon het bezuiden de Humber ligt. Dan moet het Lincolnshire zijn en dat zijn ook vijanden. En zo gaan de zonloze dagen voorbij en de eindeloze routine van het vissen en lever koken..... liggen steken....... informatie inwinnen.... richting zoeken ..... visserij informatie verzamelen..... de laatste vis prijzen noteren en de Noorse weerberichten,,,, en luisteren naar berichten van Wick radio. Er gaat weer een moment voorbij als de kuil boven water komt, ....weer een terugkerende gezicht, wat ik mijn herinnering is opgeslagen. Ik kijk naar een groep matrozen die in de last staan, onder de dekverlichting. Tot hun knieën in de zilveren vis.... strippend.....lachend en lol makend, de gele oliejassen glimmend van het water, met het schip stampend en slingerend en de zeemeeuwen krijsend. Deze knapen verbazen mij. Buiten in de ijskoude wind en het buiswater, kunnen zij een sigaret rollen met één hand, tussen hun lippen steken, hem aansteken en met blijdschap oproken ....en toch aan het werk blijvend. Een van hen, Peter is een echt kleinood.' Hij heeft een krachtige en mooie tenor stem. De hele tijd dat hij staat te strippen, zingt hij ballades en pop liedjes. Zijn stem, nu laag, nu weggevaagd op de wispelturige wind... zal eeuwig zangerig door blijven klinken. Het gaat nu al een tijdje goed. Maar we hebben wel een stel slechte trekken gedaan en zoeken nu langs de kust. We zijn bezig met de eerste trek op de nieuwe positie en ik ben onder weg voor het middag eten. Als ik de ladder af kom en door de matrozen mess-room loop, schreeuw ik tegen de jongens aan tafel....... We hebben het nu voor elkaar... we zitten boven op de vis. Wie zegt dat.... vragen zij. Ik........Ik kan ze ruiken.... zeg ik vertrouwelijk..... omdat ik het kan. Ze trekken echter gekke gezichten tegen elkaar. Een uur later halen we...... en de trawl bulkt van de vis... Ziezo... ik heb het voor elkaar ! Ik ga terug naar de radio hut. en ik hoor weer kapitein Parrot. Dit maal heeft hij het over zijn kok. Het kan mij niet schelen dat hij een slechte kok is, zei de kapitein Parrot. Ik heb vaak genoeg gevaren met slechte koks in mijn tijd. Ik kan er mee leven , als we een slechte kok aan boord hebben. Maar deze knaap kan helemaal niet koken. Hij kan niets koken . We moeten zelfs onze cacoa zelf klaar maken. Wordt vervolgd. Vreemdeling
<< Vorige Volgende >>
...home Geplaatst op 05-10-2014 en 1208 keer gelezen Like dit 485 Liked