’Tachtigers van Scheveningen’ deel 3

2. Een oude bakker

Op de Kanaalweg kwam ik hem tegen, vlak voor mijn huis, op een stille, zonnige zondagmorgen in augustus 1981 en kijk, het leven hangt van toevalligheden aan elkaar. Want hij had een kwartje nodig voor de sigarettenautomaat en ik een verhaal voor mijn reeks ‘Tachtigers van Scheveningen’.

Ik schatte zijn leeftijd, we raakten aan de praat, hij kreeg zijn kwartje en ik mijn afspraak voor een artikel. En zo ontstond het verhaal van en over die oude bakker, enige dagen later op een warme avond verteld door Cor Keus, zittend met mij in zijn knusse huiskamertje schuin boven het voormalige bakkerswinkeltje op de hoek van de Schipperstraat en de Kielstraat.
Voorbije 19e eeuw
raakvlak van twee eeuwen werd hij geboren. Voorbij was de 19e eeuw, de eeuw waarin de revolutie en de grootindustrie bepalend werden, twee gebeurtenissen die het beeld van de 20e eeuw zouden gaan versterken. Hiervan was in het huisje van het gezin van Pieter Keus en Gieltje Grootveld echter weinig te merken op 4 februari 1900, de geboortedag van Cornelis, een jongetje, een zeekind bij voorbaat, voorbestemd om straks in de voetsporen te treden van zijn vader, zijn grootvader en van nog daarvoor liggende generaties, vissers die van geslacht op geslacht hun schrale boterham moesten verdienen op dat wisselvallige water. Die Noordzee was een wispelturige vriend, een loerende vijand, vooral de bron van hun sober bestaan, soms de oorzaak van hun voortijdig einde. Maar, terug nu naar het vissershuisje, staande in het ‘Waaigat’, een straatje, ooit gaande van de Marcelisstraat naar de Korendijkstraat. De oorspronkelijke naam was naar men zegt het ‘Weigat’ geweest – een smal weggetje langs een weide van een daar gelegen boerderijtje – maar geleidelijk aan was de naam verbasterd tot het ‘Waaigat’, waarbij men vertelt omdat het daar altijd waaide. Wie het weet mag het zeggen; het straatje is inmiddels verdwenen. ‘Mijn vader was een visserman, we woonden in een heel klein huisje in het ‘Waaigat’, een echt vissershuisje met één kamer met een bedstee. Wij sliepen als kinderen op de zolder onder het schuine dak en daar lagen we met z’n drieёn in één ledikant. We speelden als kind in die kleine slopjes die je bij ons in de buurt had. Je kon je daar goed verstoppen. Ja, je had ondeugende streken. Je bond wel eens een turf aan een touwtje en die legde je dan op de straat. Zélf ging je om een hoekje staan tot iemand de turf wilde pakken en dan trok je…’
De Blumschool
zijn dertiende jaar ging hij naar de openbare lagere school aan het Marcelisplein, een school die de’Blumschool’ werd genoemd omdat het schoolhoofd een zekere meester Blum was. Cor was, zoals gezegd, voorbestemd om visser te worden, dit ondanks het advies van de meester die Cors ouders aanraadde, de jongen te laten doorleren. Geldgebrek evenwel dwong de ouders, het kind van school te nemen toen hij de voorgeschreven klassen had doorlopen. En zo vertrok Cor dan ook in 1913 naar zee en zijn jongensogen aanschouwden de wereld van de visserij, de bomschuiten en de zeilloggers, de donkere nachten,de zwoegende vissers en de ‘Baai’ van Lerwick. Die baai was het trefpunt van de haringvissers rond de zestigste breedtegraad. De Eerste Wereldoorlog brak uit en hij zag op honderd meter afstand een zeemijn ontploffen die in hun net verward was geraakt en die bij het binnenhalen van hun netten, explodeerde. De haringvisserij viel geleidelijk aan stil vanwege het oorlogsgevaar en in 1916, na een behouden teelt, kreeg Cor als bij toeval een baantje aan de wal dat, naar later zou blijken, een definitief einde zou betekenen van zijn zeeleven. Bakkerij Vermaas in de Keizerstraat vroeg een flinke jongen en de broer van Cor ging er op af.
‘Goed kunnende fietsen’
‘…Nou mijn broer Arie was er naar toe gegaan maar Vermaas zocht een jongen die kon fietsen om het brood te bezorgen. Maar Arie kon niet fietsen en toen ben ik er heen gestapt want ik kon het wél omdat ik het jaar ervoor een tweedehands fietsje had gekocht.’ Elke winkelier die een jongen zocht vermeldde in zijn advertentie: ‘Goed kunnende fietsen’. Maar dat dit voor de meeste jongens in die tijd niet opging mag blijken uit een artikel in een plaatselijk blad uit de jaren rond 1915 waarin de schrijver verzucht: ’Het jonge volkje, de zogenaamde zeejongens, ontbreken allerminst bij den weg. Zeer dartel al van aard zijn ze tegenwoordig erg gesteld op het rijwiel, waarop ze niet zoo vasten voet blijken te hebben als op ’t scheepsdek. Zij rijden en richten plomp, wel eens niet ongevaarlijk voor de voetgangers. ’t Gevaarlijkst echter voor henzelven daar hun lichaam nogal eens met de keien kennis maakt ten koste van een bloedneus of van een bebloeden kop.’
Interessante advertenties
Het blijft trouwens een interessante bezigheid om terug te kijken naar de inhoud van artikelen en advertenties uit kranten van die jaren. Wat te denken van ‘Een tamelijk goed zeilmaker’ die zichzelf aanbiedt en als bijzonderheid over zichzelf toevoegt: ‘Vrij van sterken drank’.Of van iemand die te koop vraagt: ‘Een nog goed loopende ezel of muilezel’ of twee dames uit de Vivienstraat in het Statenkwartier die een dienstmeisje zoeken en – wat heet dscriminatie? – daaraan toevoegen: ‘Geen Scheveningse dracht’. En aldus heeft Cor Keus het scheepsdek verwisseld voor het wegdek en zich geschaard in de kolonnes van het luidruchtige gilde van loopjongens-bezorgers, echte straatjongens, geroemd om hun behendigheid op de zware tweewielige transportfietsen, de dagelijkse zorg van de straatagenten, de dagelijkse vreugde van de dienstmeisjes. De door deze bakkers-, slagers- en kruideniersjongens bereden transportfietsen waren zware, logge doortrappers met voorop extra brede bagagedragers waarop, tevens hangend met twee haken aan het stuur, de grote rechthoekige rieten manden rustten met daarop een rieten klep, afgezet met zeildoek bij regen.
Vijf-en-dertig broden
De manden van die bakkersjongens bevatten zo’n vijf-en-dertig broden en het vereiste een behoorlijke vaardigheid om met zo’n vracht op pad te gaan. ’Je vond het als jongen zeker wel leuk om bezorger te zijn en de hele dag op straat te rijden?’ ‘Nou, als ’t mooi weer was vond ik het wel leuk maar als het slecht weer was nou, dan moest ik bijvoorbeeld naar een klant bij de Waalsdorperweg en daar was nog geen straat maar een zandweggetje. Als het dan regende dan ging je vaak onderuit met je fiets in de karrensporen van dat weggetje.’ Inmiddels werden, ondanks de neutraliteit die Nederland in acht hield, de gevolgen van die Eerste Wereldoorlog toch steeds meer merkbaar en trad een schaarste op in een aantal eerste levensbehoeften, waaronder tarwebloem. De tarwe voor de meelfabrieken werd door schepen vanuit Noord- en Zuid Amerika aangevoerd. En doordat men Duitsland, als een vijandig land, door een blokkade ter zee wilde treffen, verliep de invoer van goederen van overzee steeds moeizamer en bereikten steeds minder vrachtschepen ook de Nederlandse zeehavens. In juni 1915 besloot de regering dan ook over te gaan tot de distributie van het brood en tot het uitreiken van bonkaarten zodat de mensen, tegen afgifte van een bon, hun dagelijks rantsoen brood konden kopen. Er was al een periode aan voorafgegaan waarin de bakkers ‘noodbrood’ hadden gebakken, een grauwkleurige broodsoort, samengesteld deels uit tarwebloem en deels uit rijstebloem, dit om het tekort aan tarwebloem, en dus aan brood, aan te vullen. Ook de aanvoer van de levering van kolen werd minder.
Takkenbossen
En zo kon het gebeuren dat bakker Vermaas en zijn vakgenoten op een zeker moment geen brandstof meer hadden om de vuren onder de ovens te stoken. Gelukkig stijgt bij de mens de vindingrijkheid in evenredige mate met de stijging van de nood. En hoe men toen de ovens ging verwarmen vertelt ons Cor: ‘…toen hadden we op een zeker ogenblik geen kolen meer, maar toen gingen we takkenbossen gebruiken, die deden we in de oven, we staken ze aan en als ze uitgebrand waren dan haalden we met een natte dweil de resten uit de oven en dan ging het brood erin.’ Bij navraag bleek mij dat het gebruik van hout ónder de oven geen nut had omdat de ontstane warmte daarmee te gering was. De oplossing was om de oven zélf te verwarmen en dus het hout in de oven te laten branden in plaats van eronder, misschien niet volgens de regels maar de bakkers konden blijven doorbakken. Cor was een leergierige jongen en wilde meer van het vak weten dan alleen de inhoud van zijn mand en weldra stond hij dan ook naast baas Vermaas en Meerburg, zijn bakkersknecht om, samen met hen in de nachtelijke uurtjes de kneepjes van het bakkersvak te leren. Hij leerde de hoeveelheden bloem die nodig waren en de toevoeging van water, melk, gist en zout en hij mocht helpen met de voorbereidingen voor het kneden en het mengen van het deeg in de trog.
‘Afknijpen’ en ‘opbollen’
Cor leerde het ‘afknijpen’, het ‘opbollen’ en het ‘opmaken’, vaktermen voor het nemen van een hoeveelheid deeg uit de trog om deze verder te bewerken waarbij de op de werktafel neergelegde hoeveelheid deeg tot een bol werd gevormd die men vervolgens een tijdje liet rijzen. Hierna werd de bol omgevormd tot een worstvormige rol die in de bakvorm, de ’pan’, werd gelegd. Cor leerde met de’ schieter’ omgaan, de lange stok met de afgeplatte voorkant waarop men de pannen met deeg plaatste die vervolgens in de oven werden geschoven en Cor bleek plezier te hebben in zijn bakkerswerk. – Al luisterend merk ik dat ik van brood niet veel meer afweet dan dat er witbrood is en bruinbrood, en knip-, plaat-, melk- en patentbrood. Ik heb er dus maar wat over gelezen, of het overigens waar is of niet waar – Over, hoe lang geleden, de mensen de graankorrel ontdekten, er op kauwden en zich realiseerden dat de korrels voedden. Hoe ze die korrels fijnmaakten om ze beter eetbaar te maken, hoe er toevallig water bij de korrels kwam zodat een papje ontstond en hoe een beetje gemorste pap op een steen terecht kwam die door de zon was verhit. Dat papje droogde op waarna het een harde koek was geworden. Aldus zou het primitieve brood of een koek zijn ontstaan. En het is verder aardig om te weten dat een ’fluit’ en een ‘gal’ niet alleen de naam is van respectievelijk een muziekinstrument en een bittere smaak maar samen met de ‘papper’ en de ‘hoge Frans’ broodproducten zijn die Cor in zijn bakkersjaren heeft leren vervaardigen.
Het aardige meisje
Het ging helaas niet goed met de bakkerij van Vermaas en in 1920 stopte deze met bakken. Cor had intussen een aardig meisje ontmoet bij een klant in de Kerklaan waar hij brood bezorgde. En kijk, het meisje vond de achttienjarige bakkersknecht wederkerig aardig en ze kregen verkering. Dat was voor Cor de reden, zo vlug als mogelijk naar vervangend werk om te zien en gelukkig was er een snelgroeiende bakkerij, toebehorend aan bakker Van der Ree die in 1915 in de Keizerstraat een zaak had overgekocht, een plekje vrij. Cor ging weer in de bakkerij werken en daarnaast brood bezorgen in een vaste buurt met vaste klanten. Dat bezorgen gebeurde dáár nog met een zware, tweewielige handwagen. Het was een soort kist op houten wielen, loodzwaar voor een man alleen. Vooral ’s winters wanneer het had gesneeuwd leverde het voortduwen van zo’n wagen voor problemen omdat de bezorger de wagen niet de verschillende hellingen kon opduwen vanwege gladheid van de straten. Op zo’n tijdstip werd een beroep gedaan op werklozen, met name op vissers die dan als trekkers voor de bakkerskar liepen, hangend in de lus van een touw dat vanaf de kar over hun schouders was gespannen. Zolang de sneeuwperiode aanhield bleef zo’n trekker assisteren, daarmee een welkome aanvulling bijverdienend op zijn schamele steunuitkering.
De ‘zonde’
Het ging met Cor best wel goed maar toen kwam het onverwachte, het voor Cor en zijn meisje wel zeer schokkende gegeven: ze was zwanger en zij zouden met grote haast moeten trouwen. In aanmerking moet worden genomen dat de jaren waarin men leefde een tijd was waarin het zonde-besef, vooral wanneer het om zonden van anderen ging, zeer groot was. De opvattingen over een zaak als deze waren star en men toonde weinig begrip. De families van meisjes aan wie dit was overkomen waren meer begaan met zichzelf en met de schande die over hen gebracht werd dan met de jonge meisjes en hun grote problemen. De omgeving reageerde evenmin begrijpend en dergelijke meisjes werden veroordeeld in termen van zondig, slecht en zedeloos. Dat ook de kerk in die opvatting deelde valt te betreuren want ook de houding in kerkelijke kringen was weinig verzoenend en weinig medemenselijk. Zowel Cor als anderen die destijds in een soortgelijk situatie geraakten kregen op hun verzoek om in de kerk te mogen overtrouwen hiervoor geen toestemming, dit vanwege de bedreven zonde. Na veel aandringen werd het huwelijk van Cor en zijn aanstaande tóch nog kerkelijk ingewijd en het jonge paar kreeg, na enige jaren van inwoning, een woning toegewezen in het toenmalige walhalla van Scheveningen: Duindorp. In 1923 betrokken Cor en zijn jonge vrouw een huis in de Wieringsestraat, nog zó nieuw, dat de verf bijna nat was.
Terug naar het oude dorp
In 1930 kwam het verzoek van bakkerij Van der Ree of de echtgenote van Cor wellicht zin had om in een winkel van Van der Ree te komen werken als filiaalhoudster. Ze besloot dit aan te nemen en het gezin verhuisde naar de Schipperstraat waar, op de hoek van deze straat en de Kielstraat, een klein winkeltje was gevestigd. Het was een wat verlopen zaakje met weinig klanten en er was flink wat werk te verzetten in de eerste jaren. Maar de klanten gingen komen en het broodwinkeltje op de hoek werd meer en meer een gezellig zaakje waarin de echtgenote van Cor zo’n veertig jaar met plezier haar klanten hielp: ‘Ook wanneer het alleen maar ging over een gaspenning…’ – Destijds konden in gasmeters speciale munten, ‘gaspenningen’ worden ingelaten, dit voor het gebruik van gas voor een zekere tijdsduur. Wanneer die met penningen betaalde tijdsduur was verlopen, viel de toevoer uit door een mechanisme in de meter. Het nut lag vooral in de eenvoudige aanschaf van zulke penningen door gezinnen met weinig geld. Werden dergelijke gezinnen achteraf geconfronteerd met een gasrekening dan ontbrak vaak het geld. De penningen werden door het gemeentelijk Gasbedrijf ter verkoop aangeboden aan buurtwinkeliers. De prijs was toen 11 cent; de munten leverden de winkeliers nauwelijks iets op. Het ging in zo’n buurt meer om een dienstverlening dan om een winstgevende levering van dergelijke penningen aan klanten –
Een weemoedig melodietje
In 1970 werd de vrouw van Cor verrast met een onderscheiding voor 40 jaar trouwe dienst. Cor was intussen in 1965 gepensioneerd en assisteerde haar in het winkeltje tot, toen ze beiden 70 jaar waren geworden, werd besloten, een welverdiende rust te gaan genieten. Nog vijf jaar mochten ze samen zijn en toen, in 1975, kwam voor hen het afscheid, voorgoed, en Cor moest zijn weg verder alleen gaan. Op de tafel ligt een mondharmonica, een instrument, dat nu nog maar weinig wordt gehoord. Maar ooit, in vroeger jaren, verklankte het menselijke gevoelens. De gevoelens van de werkman, de zeeman en de jongens van de straat. Ik vraag aan Cor of hij tot besluit van ons gesprek wat voor mij wil spelen en dan klinkt langzaam en weemoedig een melodietje, een liedje, heel, heel oud en de klanken drijven traag het open raam uit naar buiten, zweverig als lichte wolkjes. En de vredige, warme zomeravond, ze is stil en het is of ze luistert, licht geroerd naar het afscheidsliedje van een oude bakker wiens zorg was bij ons dagelijks brood, de beloning voor onze vlijt, het product van zijn noeste arbeid!

© Piet Spaans historisch publicist en auteur Scheveningen 1980-Den Haag 2015/16


<< Vorige Volgende >>
...home Geplaatst op 26-11-2015 en 1564 keer gelezen Like dit 941 Liked