Verstoorde nachtrust in de Haagse Zeestraat deel 11

11. Wie keurde wat en wat keurde wie?
Er is vanuit voorgaande eeuwen een weliswaar fictieve, maar toch wel zichtbare grens aan te geven waar ooit het oude Scheveningen overging in het oude Den Haag. Ter hoogte van het huidige Vredespaleis dat rechts staat ten opzichte van het begin van de Scheveningseweg bevindt zich niet ver van dit paleis een wit huisje dat links staat ten opzichte van het begin van die voornoemde weg. Dit is een plek waar in vorige eeuwen tol werd geheven, onder andere aan hen die met vis van Scheveningen naar Den Haag trokken. Daarenboven werd óók bij het tolhuisje een zogenoemde ‘tweede keuring’ verricht op de, naar elders te (ver)voeren, zeevis. De eerste keuring had voorafgaand aan de afslag op het strand plaatsgevonden. De functie van ‘Keurder’ of ‘Vinder’ op het strand was in handen van een ‘Stokhouder’ over wie in een voorafgaand artikel (9) al iets is verteld. Hij schouwde als eerste de, aan het strand aangevoerde, zeevis waarna men diende aan te nemen dat in Den Haag en in andere plaatsen in de regio slechts goedgekeurde vis zou worden verkocht. Althans, zo zou men denken. Hierop wordt zo meteen teruggekomen. Eerst wordt nader aandacht gevraagd voor de man die fungeerde als stokhouder. Zij die een afbeelding kennen van een eeuwenoude visafslag op het strand van Scheveningen weten daarop die stokhouder exact aan te wijzen. Immers, hij is toch, zoals omschreven, de man met die stok? Klopt: althans de benaming lijkt geheel te kloppen, ware het niet dat de toenmalig, voorhanden zijnde, stok qua omvang en qua betekenis afwijkt van een voorgaand, kleiner exemplaar. Het gaat hier om een eeuwenoud ritueel bij de koop en verkoop van een object, dat eerst nog in eigendom was bij partij één. Kort erna zou de aankoop van dat object door partij twéé een realiteit zijn geworden. Maar daarbij was éérst nog de aanwezigheid geboden van partij drie, te weten een stokhouder. Deze hield bij de komende ceremonie met één hand een stokje in het mudden vast tussen de duim en de wijsvinger. De verkoper én de koper vatten vervolgens ieder een uiteinde van het stokje vast, de een ter linker-, en de ander ter rechteruiteinde daarvan. De stokhouder sprak vervolgens een formule uit welke de aan de orde zijnde koop en verkoop bevestigde. Toen het ritueel op zich ooit in onbruik geraakte bleef tóch het stokje nog een rol spelen bij het woordgebruik tijdens verkopingen. Zaken werden 'bij den Stok' verkocht; veilingen vonden plaats 'in 't Bekken of by den Stok'. Terug naar de stokhouder in diens functie als keurder. Die moet uitsluitend betrekking hebben gehad op de kwantiteit van de aangevoerde vis, althans meer dan op de kwaliteit van datgene dat nét uit de Noordzee was aangevoerd. Waarschijnlijk is het verdonkeremanen van een deel van de vangst stilaan de aandacht gaan vragen van de twee de afslag leidende - en officieel beëdigde - beambten: de afslager en de stokhouder. Tussentijds werd nogal eens gerommeld met de aangevoerde vis die daarbij feitelijk werd onttrokken aan de ogen van de al genoemde verantwoordelijken. Door het onttrekken ervan aan een afslag werd de vis óók onttrokken aan een keuring elders op versheid, een controle waarop Den Haag zeer fel was en dit niet ten onrechte. De al bovengenoemde tol was, zoals al bleek, als het ware het voorportaal van Haagse -, Delftse - en Rotterdamse vismarkten alsook van die van tussenliggende plaatsen. Het betrof de versheid van de zeevis en de tweede keuring daarvan, speurend naar niet vers mee te voeren zeevis. De hier bedoelde tol blijkt in latere jaren niet meer dagelijks te zijn bemand. Blijkbaar verrichtte men er nog wél steekproeven, getuige een rapporteur die dáár op een zekere dag in 1857 ambtshalve ter plekke was en daar steekproeven nam. Hij keerde met een als schokkend te ervaren boodschap terug naar zijn opdrachtgever, de stad Den Haag. Hij rapporteerde dat, op het tijdstip van het passeren van de tol door Scheveningers, deze tol niet was bemand en dit terwijl zo’n twee- tot driehonderd kustdorpbewoners: ‘…er gebruik van hadden gemaakt om met vis die bestemd is voor de drogers, dat wil zeggen niet meer voor consumptie te gebruiken vis, dán in de stad te komen; dan verkopen zij schol die groen is, en (knor)hanen, die genoegzaam geen ogen meer hebben.’ Met het noemen van de ‘drogers’ in het rapport werd aangegeven dat de vis, welke niet meer voldoende goed was voor een rechtstreekse consumptie, wél kon worden gebruikt om door de visdrogers te worden bewerkt. Den Haag zal van de rapportage zeker niet vrolijk zijn geworden. De rapporteur stelde vervolgens nog vast dat zich onder de passanten van het tolhuis vrij veel meisjes en vrouwen hadden bevonden. Het is niet mogelijk te verklaren waarom het zwakke geslacht op dit tijdstip met zovelen was vertegenwoordigd onder de overige passanten van die tol aan het begin van de Scheveningseweg. Het wekt daarmee de schijn dat binnen de plaatselijke vishandel naast de vele mannen (voorstelbaar) ook vele vrouwen (minder voorstelbaar) waren de tellen die een negotie onderhielden. Maar de meeste gehuwde vrouwen die naast een - meestal - kinderrijk gezin ook nog bezigheden omhanden moesten hebben om wat voor het gezin bij te verdienen zullen alleen al vanwege de factor ‘tijd’ niet gauw voor een negotie kiezen. Het werd ooit Kniertje in de mond gelegd door Herman Heijermans (1864-1924) in zijn toneelstuk ‘Op hoop van zegen’. Haar gevleugelde gezegde luidde: ”De vis wordt duur betaald”. De uitspraak kan van twee zijden worden bezien. Want kwam - algemeen gezien - de vis enerzijds Kniertje duur te staan, de negosianten die zich aan gene zijde van de duur betaalde vis bevonden konden er geen genoeg van krijgen en zij wensten oprecht dat het nog maar héél, héél lang zo mocht blijven. De onderzoekster van Scheveningse nalatenschappen, mevrouw Nel Noordervliet-Jol, stelt in haar naslagwerk met als titel ‘Schevenings bezit’, dat de plaatselijke viskopers - híér en nú bestempeld als negosianten - behoorden tot een kapitaalkrachtige bovenlaag in het vissersdorp. Terug naar de vrouwen: onderzoekster drs. J. Stegeman geeft in een publicatie over negosiantes als peilpunt aan het jaar 1850, waar in Scheveningen omstreeks 147 visvrouwen werden geteld. Over deze vrouwen gaat het in het laatste hoofdstuk.
© Den Haag 2018 Piet Spaans historisch publicist en auteur
<< Vorige Volgende >>
...home Geplaatst op 24-05-2018 en 1495 keer gelezen Like dit 215 Liked