Scheveningse visserszonen vechten voor de vrijheid “Kop houden, de koningin wacht op je”
Door Leo J. Capit, Panorama 1956
N.B. Met toestemming van de redactie van Panorama mocht Karel Kulk het artikel uit 1956 opnieuw publiceren, met bronvermelding. Het zeventig jaar oude artikel is aangepast aan het huidige taalgebruik, zonder het verhaal inhoudelijk te veranderen.
Het was 1941, om precies te zijn zondag 16 maart. Voor Nederland was het een sombere tijd: de Duitse bezetter voerde steeds nieuwe maatregelen in en de voedselrantsoenen werden kleiner. Ook het weer bood die zondag weinig troost. Het was kil en vanaf de ochtend hing er een zware, grauwe mist.
Na het avondeten stond in een eenvoudige Scheveningse visserswoning een blonde jongen van achttien op.
“Moeder, ik ga naar de kerk.”
“Dat is goed, Krijn,” antwoordde zijn moeder.
Met een korte groet liep hij het verduisterde portaaltje in en trok de buitendeur achter zich dicht. Zijn ouders konden niet weten dat ze hem pas vijf jaar later zouden terugzien. Vooral moeder Kleijn zou hem anders hebben tegengehouden. Door de oorlog miste ze al twee zoons: Leen en Klaar, die met de kustvaarder Zeeland op zee waren toen Duitsland Nederland in mei 1940 binnenviel.
Krijn Kleijn stapte vastberaden de mistige duisternis in. Zelfs het zwakke licht van de afgeschermde straatlantaarns was nauwelijks zichtbaar, maar als geboren Scheveninger kende hij de weg. Hij liep de hervormde kerk voorbij, waar zijn ouders dachten dat hij de avonddienst bezocht, en ging naar de Keizerstraat. Daar hing, weer of geen weer, altijd een groep vrienden rond: vooral visserszonen, donkere gestalten met een shagje, die in trage, zware zinnen praatten zoals jongens doen die weinig om handen hebben en elkaar al sinds de bewaarschool kennen. Sinds de capitulatie beheerste één onderwerp hun gesprekken: “de overkant”.
Het plan
Rinus den Heijer, eveneens een visserszoon, had maanden eerder met Krijn het plan bedacht om samen te vluchten. Met wat geluk konden ze in een donkere nacht met een vlet de haven uitkomen. Ze hadden de situatie vaak verkend en al een vaartuig uitgekozen.
Krijn Kleijn op de plek waar de velt Anna lag afgemeerd. Foto: Nationaal Archief 1956.
In de Tweede Haven, naast de opgelegde loggers van rederij Frank Vrolijk, lag de vrij nieuwe motorvlet KW 96 Anna, met een motor van achttien paardenkrachten. Die wilden ze gebruiken. Ze wilden niets overhaasten: zondag leek het gunstigst, omdat de Duitsers dan minder waakzaam waren, maar het moest wel donker zijn.
Op de middag van 16 maart wisten ze dat de omstandigheden die avond gunstig zouden zijn. In de Keizerstraat bespraken ze het openlijk met de andere Scheveningse vissersjongens.
“Jongens, vanavond gaan we. Zo vast als een huis.”
Iedereen vroeg: “Mag ik mee?”
“Van mij wel,” zei Krijn onverschillig, alsof het om een wandeling over de boulevard ging.
Er was weinig tijd en nog veel te doen. Voor het avondeten zocht Krijn thuis in het schuurtje naar een Nederlandse vlag. Hij vond er geen en durfde zijn ouders niets te vragen. Wel ontdekte hij een opgerolde geel-rode vlag van Lippe-Biesterfeld, gebruikt bij de verloving en het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard. Bij gebrek aan rood-wit-blauw stopte hij die onder zijn jas. Toen hij later bij zijn vrienden stond, waren enkele jongens thuis om spullen te halen en oude kleren aan te trekken.
Rinus nam Krijn apart. “We hebben ook een goede lantaarn nodig. Mijn vader heeft er een, maar die staat in de huiskamer. Als jij hem aan de praat houdt, pak ik de lamp.”
Krijn hielp hem. Schipper Den Heijer zat op kousenvoeten bij de kachel, met zijn rug naar de kast, en liet zich gewillig door Krijn bezighouden. Intussen pakte Rinus de grote, glanzende lamp en verborg hem onder zijn jas. Daarna vertrokken de twee jongens.
Door de “Pijp”
Toen de initiatiefnemers met hun buit terugkeerden in de Keizerstraat, wachtten de anderen zichtbaar nerveus. Vijf jongens zouden meegaan: Henk Westerduin, Hugo van Roon, Leendert Bruin, Jacob de Reus en Jacob Vrolijk. Drie hadden zich bedacht en kwamen alleen afscheid nemen van de Engelandvaarders.
Bijna onhoorbaar gleed de vlet langs de beschoeiing. De jongens keken omhoog en zagen tegen de donkere hemel een nog donkerde gestalte afsteken.) Tekening Panorama 1956
Samen liepen ze door de donkere straten naar de haven. De duisternis was ideaal. Zonder moeite vonden ze de plek waar de KW 96 naast de grote loggers van rederij Frank Vrolijk lag afgemeerd. De visserszonen overlegden kort. Krijn kende het motortype, maar ze hadden nog minstens een vat brandstof, een kompas en zo mogelijk wat rijst of ander voedsel nodig.
Het brandstofvat werd voorzichtig over de pikzwarte dekken van de loggers naar de Anna gebracht. Intussen verslechterde het weer. Met geoefende oren luisterden de jongens naar de branding in de verte.
“De zee trekt aan,” zeiden ze. De wind stond pal uit het noorden, wat gunstig was, als ze maar ongezien langs de kade van haven met hun Duitse schildwachten kwamen.
Rond half elf zei Rinus: “Wie mee wil, gaat nu aan boord.” Donkere gestalten klommen over de naast elkaar liggende loggers en lieten zich in de veel kleinere vlet zakken. De drie achterblijvers vergaten even dat overal Duitsers zaten en riepen bij het losmaken: “Goede reis! Goede reis!”
Een donkere strook water opende zich tussen de vlet en de loggers. Een vaarboom plonsde zacht in het water en stevige handen duwden zich af tegen de scheepswand van de logger. De jongens moesten het nog geen tien meter lange vaartuig langs de kade en de afgemeerde schepen verhalen om uit zicht te blijven. Ze wisten dat de eerste duizend meter, van de Tweede Haven naar open zee, het gevaarlijkst waren.
Krijn zat gehurkt in het krappe motorhok. De motor van de KW 96 was een voorverwarmer: voordat hij kon starten, moest hij met een lamp op temperatuur worden gebracht. Maar die lamp gaf licht, en dat konden ze niet gebruiken. Met het luik dicht kregen de vlam en Krijn te weinig zuurstof. Terwijl de vlet hand voor hand langs de kade en hoge Duitse invasieboten naar de smalle doorgang tussen Tweede en Eerste Haven schoof, schermden ze de vlam af met een regenjas. Niemand sprak nog. Nu kwam “de Pijp”: een nauwe doorgang van ongeveer veertig meter, bewaakt door twee Duitse schildwachten. Bij de lage waterstand was de kade hoog, maar niet hoog genoeg om de witgeschilderde masttop volledig te verbergen. Geruisloos gleed de vlet langs de beschoeiing. Boven hen tekenden twee gehelmde wachtposten met geweren onder hun capes zich af tegen de donkere hemel. Ze hadden de mast bijna kunnen aanraken, maar zagen niets.
Op weg
Buiten de ‘” Pijp” kreeg de zee vat op het dobberende vaartuig. De motor mocht nu starten, maar dat lukte niet meteen. Bij het uitbomen van de haven kwam de Anna dwars te liggen en sloeg een golf de achtersteven tegen het basalt van het noordelijke havenhoofd. Iedereen hield de adem in. Waren ze lekgeslagen?
Nee. Wel was er bij het roer iets ontzet, waardoor de vlet wat water maakte. Gelukkig kon de pomp dat gemakkelijk aan.
Ze fluisterden elkaar opgelucht het nieuws toe en proefden de zoute branding op hun lippen. Toen sloeg de motor rochelend aan. De vlet lag dwars op de golven, maar werkte zich achteruit los van het havenhoofd. Even had het scheepje het zwaar in het kolkende water. Hugo van Roon greep de helmstok en bracht de Anna voor de wind; Leendert Bruin en Rinus den Heijer hesen het zeil. Krijn’s lichtgevende horloge wees kwart voor twaalf. Ze waren onderweg.
Wie op zulke beslissende momenten gedachten rechtstreeks kon vastleggen, zou de diepste emoties van mensen kunnen peilen. Wat voelden deze zeven Scheveningse jongens toen ze, voor een stevige noordenwind, over de hoge Noordzeegolven van de kust wegvoeren? Niet het ontsnappen uit de haven was voor hen het beslissende moment, hoe gewaagd dat ook was. Pas toen ze met draaiende motor en bollend zeil wegvoeren van de bezette kust, beseften ze dat hun onderneming onomkeerbaar was. Ieder verwerkte dat op zijn eigen manier.
Niet iedereen was een ervaren jonge visser zoals Van Roon, Den Heijer en Bruin. Enkele zeventienjarigen lagen al snel zeeziek in het kleine vooronder van het slingerende notendopje.
“Ik wil terug. Ik ben bang. We halen het nooit!” riep iemand. Een oudere stem antwoordde hard: “Kop houden! De koningin wacht op je!” De zeeziekte maakte verder verzet onmogelijk. De jongsten konden niet eens meer denken aan hun ouders, die na middernacht ongerust op hen wachtten. Dan begon immers de spertijd.
Na enkele uren viel de motor met een paar vreemde hikken stil. Waarschijnlijk lag het aan de compressorkoppen. Met hulp van de anderen wist Krijn hem weer aan de praat te krijgen, al draaide de krukas eerst de verkeerde kant op.
De oversteek
Wat stelt een vlet voor op volle zee?
Eerst de vraag: wat is een vlet?
Een Scheveninger kan er zo een aanwijzen; er ligt er altijd wel één in de haven. Het is een boot van ongeveer tien meter lang en enkele meters breed, met een hoge boeg en een overdekt voorschip tegen overslaand water. Voorin staat een mast. Bij een motorvlet bevindt zich achter in de motorkast, met daarachter het roer. Een stuurwiel ontbreekt; de boot wordt bestuurd met een helmstok.
Zo zag de KW 96 eruit.
Het is dan ook begrijpelijk dat de zeven Engelandvaarders de kortst mogelijke oversteek wilden. Een vlet is op hoge zee allerminst comfortabel. Ze koersten daarom naar het dichtstbijzijnde punt van Engeland: Yarmouth, honderd mijl verderop, over een hoge deining met witte schuimkoppen.
Hugo van Roon had in de haven de helmstok gegrepen en zou hem achttien uur lang niet loslaten. Bij het licht van een afgeschermde lucifer controleerde hij nu en dan het kompas. Koers en snelheid moesten constant blijven. De motor liep regelmatig, maar Krijn maakte zich zorgen: door gebrek aan smeerolie werd het metaal gloeiend heet. Brandstof was er genoeg; na het vullen van de tank hadden ze het vat overboord gezet. De vrij nieuwe motor kon tegen een stootje, maar oververhitting bleef gevaarlijk.
Stampend en slingerend voer de Anna door de nacht, die langzaam overging in een vale ochtend. Na zeven uur varen wisten ze niet hoe ver ze waren, al vertrouwden ze erop dat hun koers klopte. De wind viel weg, maar de hoge deining bleef. De mist was verdwenen en bezorgd speurden ze de horizon af. Een Duitse patrouilleboot kon elk moment verschijnen; op de open zee voelden ze zich weerloos.
Later op de dag begon de honger. Een jongen, visser in hart en nieren, wees op de netten aan boord en stelde voor te vissen. De anderen verklaarden hem voor gek. Ze waren toch op weg naar de vrijheid en hadden haast? Haast hadden ze zeker, maar de dag kroop voorbij. Ze zagen alleen een eindeloze watervlakte en de lucht erboven, met af en toe wrakhout dat misschien wees op de nabijheid van de Engelse kust.
Ze hadden rijst, maar geen zoet water. Daarom kookten ze die in zeewater. Het resultaat leek op grove metselspecie en zelfs de hongerigste kokhalsden ervan.
Hugo van Roon, nog steeds aan de helmstok, voer tegen hen uit. Ze moesten hun honger maar negeren.
Die avond zouden ze Engeland zien, daar was hij van overtuigd.
Gepraaid
Na achttien uur varen zagen ze laat in de middag Engeland. Eerst wees iedereen opgewonden naar iets dat op een boot leek. Daarna verschenen meerdere schepen aan de horizon: een konvooi dat noordwaarts voer. Daarachter tekende zich vaag de kust af.
“De vlag, jongens!” Haastig hesen ze de kleuren van het stamland van prins Bernhard en stuurden recht op het konvooi af. De schepen reageerden niet; kennelijk hield men hen voor vissers.
Ze zwaaiden uit alle macht. Dichtbij zagen ze grijze oorlogsschepen onder de rode Britse oorlogsvlag. Op een verderop varend schip begon een seinlamp te flitsen. Toen draaide de snelle torpedojager L 92 bij en kwam met hoge boeggolven op de vreemde vlet af. Het was H.M.S. Pytchley, die de zeven jonge Scheveningse Engelandvaarders praaide.
Vanaf het oorlogsschip werd een lijn overgeschoten. De jongens maakten die vast en werden kort daarna aan boord genomen, grauw van zeeziekte en met trillende knieën. Op het dek werden ze meteen gefouilleerd. De Britse zeelieden leken verbaasd over hun onverwachte ontmoeting.
Alleen Rinus den Heijer sprak enkele woorden Engels, net genoeg om uit te leggen wie ze waren. De Britten ontvingen hun gasten vriendelijk. Een grijnzende hofmeester bracht grote koppen sterke thee. Ze genoten
H.M.S. Pytchley tijdens de Tweede Wereldoorlog.
van de thee, rookten de aangeboden Virginiasigaretten en kregen zoveel brood als ze wilden. Een feestelijk welkom door de commandant bleef echter uit. Een onderofficier bracht hen naar een ruimte in het voorschip en sloot hen zonder omhaal op. Dat kon hun weinig schelen. Ze wilden slapen en waren uitgeput. Iedereen kreeg een houtje-touwtjejas en een tweede om als kussen te gebruiken.
“Waar gaan we heen?” vroeg Rinus den Heijer aan een Engelsman.
“Edinburgh,” luidde het antwoord.
De Pytchley begeleidde een konvooi van het zuiden naar Schotland. Met die wetenschap gingen de zeven Scheveningers slapen, maar niet lang. Plots brak de hel los: Duitse motortorpedoboten vielen het konvooi aan en op de torpedojager kwam alles in beweging. Boven hun tijdelijke gevangenis stond zwaar geschut dat oorverdovend vuur uitbraakte.
Opgesloten beleefden ze het benauwdste anderhalf uur van hun leven. Misschien leek het erger dan het was, maar later vonden ze nauwelijks woorden om het te beschrijven.
De volgende ochtend wilde de commandant zijn bijzondere passagiers persoonlijk zien. Hij sprak enkele vriendelijke zinnen, waarvan alleen Den Heijer iets begreep, en gaf ieder vijf shilling uit een grote leren beurs. Zijn uitbundigheid kwam mede doordat de Pytchley die nacht twee Duitse motortorpedoboten tot zinken had gebracht. De Scheveningers hadden hun Britse gastheren én bewakers dus geen ongeluk gebracht. Het afscheid in Edinburgh was hartelijk.
Bestemming
Op de kade in Edinburgh stond een politieauto klaar om de zeven naar het hoofdbureau te brengen. Daar bleven ze een dag. ’s Middags vertelde een vriendelijke man dat ze die avond met de nachttrein naar Londen zouden reizen. Het werd de langste treinreis van hun leven. Hun begeleiders waren vriendelijk en zorgden voor eten, drinken en sigaretten, maar de gereserveerde coupé bleef op slot en zelfs naar het toilet ging iemand mee. Dat verbaasde hen niet: in oorlogstijd moest Engeland voorzichtig omgaan met onbekende nieuwkomers.
In Londen werden ze overgebracht naar een plek die onder Nederlanders bekendstond als de “patriottenschool”.
Veertien dagen lang ondervroegen landgenoten en Nederlandssprekende Engelsen hen uitvoerig. Ze luisterden naar het BBC-nieuws en Radio Oranje en vroegen zich af of hun families wisten dat ze veilig “aan de overkant” waren. Later bleek van wel. Op dinsdag 18 maart vond moeder Kleijn een briefje in de bus met de melding dat Krijn in Engeland was aangekomen. Radio Oranje had bovendien de codezin uitgezonden: “De adelaar is zeven veren kwijt.”
Na twee weken verhoren leek de vrijheid anders dan ze zich hadden voorgesteld. Juist toen dat hun stemming begon te drukken, verscheen een stoere Nederlandse luitenant-ter-zee. Hij vertelde dat de Koninklijke Marine de zeven Scheveningse Engelandvaarders graag hun plicht voor koningin en vaderland liet vervullen. Hij bracht hen naar het Nederlandse marine hoofdkwartier in een voormalig warenhuis. Nog diezelfde dag werden ze matroos.
Daarna volgden de schouderklopjes. Strenge vlagofficieren met goud op de mouwen wilden hun ontsnappingsverhaal horen en prezen hen uitvoerig. Hun marine loopbaan begon bovendien met veertien dagen verlof.
Eén dag daarvan zouden ze nooit vergeten: de dag waarop zij te gast waren bij koningin Wilhelmina.
In twee auto’s reden ze naar haar verblijf buiten Londen. Krijn zat naast minister Gerbrandy, die hen persoonlijk begeleidde. Koningin Wilhelmina kende Scheveningen goed. Ze luisterde aandachtig, vroeg naar hun huizen en families en zorgde ervoor dat het de zeven jonge Engelandvaarders aan niets ontbrak.
Een van hen durfde te vragen hoe het met de prinses, de prins en de twee kleine prinsesjes ging. De koningin pakte ingelijste foto’s uit Canada van haar bureau en liet die zien. De jongens wisten niet goed wat ze moesten zeggen, maar voelden des te sterker dat hun tocht naar “de overkant” de juiste keuze was geweest.
Herinnering
Na hun verlof mochten ze een schip kiezen en gingen hun wegen uiteen. Vrolijk, Kleijn, Den Heijer en Westerduin kwamen op de Nautilus, een korvet dat kort daarna in de monding van de Humber verging zonder dat er mensen omkwamen. De andere drie werden geplaatst op de Jan van Brakel.
Zo vonden ze hun bestemming als matroos bij de Koninklijke Marine. In oorlogstijd een goede bestemming voor Scheveningse jongens. Opvallend genoeg leken hun gesprekken nog sterk op die uit de Keizerstraat. Alleen noemden ze “de overkant” voortaan “thuis.”
Ze wisten hoe gelukkig ze zouden zijn als boven de Scheveningse haven weer het rood-wit-blauw wapperde en ze naar huis konden terugkeren.
De meesten kregen dat geluk. Krijn Kleijn vertrok in 1941 als jongen van achttien en keerde in 1946 als man terug.
Dat is inmiddels tien jaar geleden. In die tijd is veel veranderd. De drieëndertigjarige Krijn vaart nu als motordrijver met zijn broer op de kotter Leendert SCH 10, waarop zijn vader schipper is. Met zijn vrouw en zoontje Leendert, die op zijn moeder lijkt, woont hij in een gezellig huis aan de Zeilstraat.
Krijn Kleijn (rechts) op de houten motorkotter SCH 10 Leendert van zijn vader. (2e van links) Foto: Omstreeks 1948.De SCH 10 werd door de Duitsers gevorderd en voer als Duits Marinevaartuig. In 1946 kocht Leendert Kleijn het
schip van de Nederlandse Marine.
Op een dag haalde hij een oude oorkonde uit de lijst in de slaapkamer. In plaats daarvan schoof hij een verfomfaaid stuk papier met een medaille achter het glas. Op het papier staat:
“Wij, Wilhelmina, bij de gratie Gods Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz. op de voordracht van Onze Ministers van Oorlog en Marine van 28 october 1941, 1ste Afdeeling, Hebben goedgevonden en verstaan toe te kennen het Bronzen Kruis aan: KLEYN, KRIJN, BERTUS, Matroos III, z.m.
wegens het in tijd van oorlog met groot beleid voorbereiden van hun ontsnapping uit het door den vijand bezette gebied van Nederland en het moedig en beleidvol uitvoeren van hun overtocht naar Engeland; aan welke overtocht zowel tengevolge van de geringe zeewaardigheid van hun vaartuig als van het optreden des vijands groote gevaren waren verbonden.”
“Het blijft een mooie herinnering,” zegt Krijn Kleijn bijna verontschuldigend. “Jammer dat het papier zo verkreukeld is, maar ik heb het overal mee naartoe genomen, zelfs naar Australië, aan het einde van de oorlog. Denk je dat ik een nieuw afschrift kan krijgen? Voor later, als Leendert wat ouder is, begrijp je?”
* * *
Copyright Karel Kulk
Scheveningen 2021
Karel Kulk
Zie ook Het verhaal van Engelandvaarder Krijn Kleijn (live)
Zie ook Scheveningse Engelandvaarders
...terug
...home
Geplaatst op 21-10-2026 en 36 keer gelezen
Like dit 6 Liked