Deel 1 Deel 2

HOOP AAN DE EINDER
in 2 delen

Door Karel Kulk Moeder en dochter Het is een mooie ochtend in oktober 1918. Op het noordenhavenhoofd staat een jonge vrouw in Scheveningse dracht. Ze is hoogzwanger. Een meisje van amper zeven jaar houdt stevig de hand van de vrouw vast. Met de andere hand zwaait ze naar één van de mannen op de zeillogger die open zee kiest. ‘Dag Karel!’ roept de vrouw. ‘Dag moeder’, roept haar zoon Arie, die naast zijn vader staat. ‘Kom je weer gauw naar huis vader,’ roept de kleine meid en maakt van haar handjes een toeter om de afstand te overbruggen. Moeder slikt even als ze haar kleine meid dit hoort roepen. Op Scheveningen zijn sinds het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 veel vissers op zee gebleven. Ze denkt aan het zoontje van de buurvrouw. Hij was pas dertien jaar toen de logger door een Engelse zeemijn met man en muis verging. Haar hart krimpt ineen nu ze haar man en zoon de veilige haven uit ziet varen naar de gevaarlijke visgronden. Op veel plekken in de Noordzee hebben de Engelsen duizenden zeemijnen gelegd en door de Duitse duikbootoorlog is het er ook niet veiliger op geworden. Ondanks dat de vloot door de oorlog- en economische omstandigheden sterk is ingekrompen hebben haar man en zoon toch nog een schip gevonden. Ze zou pas gerust zijn als ze over vier of vijf weken hier weer zou staan en het registratienummer van de logger op het zeil kon lezen. Nog eenmaal zwaait ze met haar rode zakdoek naar haar man en zoon. ‘Kom, we gaan, meid,‘ zegt moeder ‘Laten we nog even blijven tot de logger ver weg is, moeder.’ ‘Nee, ik moet nog boodschappen doen bij de water- en vuurstokerij.’ Ze kijkt haar moeder aan en vraagt: ‘Mag ik dan een stuk zoethout?’ Moeder glimlacht en knikt. Het is geen vetpot thuis, maar als ze het verdriet van de kleine meid, nu haar vader en grote broer weer naar zee zijn, daarmee kan verzachten doet ze dit met plezier. ‘Maar niet tegen je broertje en zusje zeggen hè!’ ‘Nee, dat zal ik niet doen moeder’ en ze huppelt het havenhoofd af. 'Geef me maar een hand, het is best gevaarlijk op het havenhoofd,' zegt moeder tegen haar. Reder en dominee De reder, wiens schip net is vertrokken, schenkt voor de dominee en zichzelf nog een glas cognac in en biedt hem een sigaar aan uit de zilveren doos die op zijn bureau staat. ‘Dat was afgelopen zondag een mooie preek dominee! De gemeenschap was doodstil toen je sprak over al die dappere vissers die de dood in de golven vonden en dat hun nabestaanden geen gebruik wilden maken van het steuncomité.’ ‘Ja, het is een goddelijk beroep om op zee te arbeiden voor hun en onze toekomst. Zeker nu er door de Eerste Wereldoorlog in Nederland schaarste aan voedsel is,’ zegt de dominee. ’U hebt gelijk, de plicht roept en daar moeten we allen gehoor aan geven’ is de reactie van de reder. ‘Het zal de gezinnen, van de bemanning van de logger die een week geleden is vergaan, goed hebben gedaan dat onze vorstin afgelopen zondag ook aanwezig was bij de dienst in de Oude Kerk,' laat de reder erop volgen. ‘Ja, dat was mooi, haar medeleven en het geloof in de Heer zal hun leed verzachten. Heb jij nog een baantje voor die weduwe met dat grote gezin?’ vraagt de dominee aan de reder. De reder trekt aan zijn sigaar, nipt van zijn cognac, kijkt de dominee aan en zegt: ‘Ik zal kijken wat ik kan doen, maar reken er niet al te hard op want de werkloosheid is op het ogenblik schrikbarend hoog op Scheveningen.’ 'Hoeveel vissersschepen zijn door het oorlogsgeweld al verloren gegaan?' vraagt de dominee. 'Op Scheveningen alleen al 40 schepen. Gelukkig zijn de meeste reders goed verzekerd en is de prijs van haring de laatste tijd sterk gestegen. Duitsland neemt veel haring af. Al met al kunnen we met dat geld moderne loggers laten bouwen. Het zit me wel dwars dat we in de krant als oorlogswinstmakers worden neergezet,' antwoordt de reder. ‘Ja, dat is niet zo mooi. Maar het is wel triest: Nederland is neutraal in deze oorlog en toch vallen er door Engelse mijnen en Duitse torpedo’s, zoveel slachtoffers onder de Nederlandse vissers,’ zegt de dominee met een ernstig gezicht. ‘Hoeveel Scheveningse vissers zijn er tot nu toe niet meer van zee teruggekeerd dominee?’ ‘Ik geloof dat er alleen al op Scheveningen driehonderd vissers worden vermist. Ik heb het er behoorlijk druk mee.’ ‘Het wordt steeds moeilijker om een goede bemanning bij elkaar te krijgen,’ moppert de reder. ‘Laatst kwam er een bemanningslid, die lid is van die rooie vakbond, en zegt tegen me: 'meneer het is nu zo gevaarlijk op zee dat we recht hebben op gevarengeld.’ ‘En?’ vraagt de dominee. ‘Ik heb hem gezegd dat hij zijn spullen van boord moest halen. Op mijn schepen geen socialisten!’ ‘In mijn kerk ook niet,’ reageert de dominee. Vader en zoon Arie vraagt aan zijn vader hoe lang ze nog op zee blijven. Na vier weken wil hij weer eens zijn verloofde zien en een biertje drinken met zijn vrienden in het zeemanshuis. ‘Het schip is nog niet vol jongen. De reder wordt nijdig als we met een half schip haring aankomen,’ zegt vader die al dertig jaar visserman is. ‘Maar gisterennacht hebben een aantal loggers uit Katwijk hier veel haring gevangen. Er was er zelfs een bij van 10 last. Als wij vannacht geluk hebben kunnen we naar huis,’ zegt vader geruststellend. Arie zucht en zegt: ‘Dat zou fijn zijn.’ In de middag wordt om drie uur de drie kilometer lange vleet geschoten. Daarna wordt er gegeten. Wie geen wacht heeft kruipt in zijn kooi. Om 001.30 uur roept de man van de wacht luidt door het trapgat naar het vooronder: ‘We gaan haaaalen!' Haring en zeemijnen De mannen schieten in hun oliegoed en klimmen aan dek. De eerste tien netten die scheep zijn gehaald geven weinig hoop op een goede vangst. Dit verandert echter. Steeds meer glinsteren de netten van de haring. Bij de halve vleet ligt er ongeveer 60 kantjes haring in de 'krebbes.’ Als de andere halve vleet ook zo vol zit dan is de thuisreis vandaag verzekerd. In het vooronder drinkt de bemanning een mok koffie, stoppen en pijpje en praten over de thuisreis en een goede besomming van de vangst. Ook in de netten van de tweede halve vleet is de haring massaal ingezwommen. ‘Nog maar twintig netten mannen, ik zie het Uiterjoon al,’ roept de schipper. De mannen trekken uit alle macht de laatste netten scheep. ‘Schipper, er zit iets zwaars in het net,’ roept Arie. ‘Een haringhaai?’ vraagt de schipper. ‘Nee, het is iets anders schipper,’ roept Arie terug. De schipper brult: ‘Mannen, een mijn!’ Hoop Het is een gure dag in december 1918. De oorlog is afgelopen, de vrede voorlopig gesloten. Op het havenhoofd staat een moeder hand in hand met haar dochtertje. Met de andere hand wiegt ze een kinderwagen. In gedachten tuurt ze naar een zeil aan de horizon en denkt: 'de einder geeft hoop, maar geen zekerheid.' Het meisje vraagt zacht : 'Moeder, wanneer gaan we naar huis?’ De vrouw streelt haar dochtertje door haar haar en zegt: ‘Nog even, lieverd.’ De einder. Foto: Karel Kulk
Nawoord: Dit verhaal is geen precieze weergave van de feiten waarop dit is gebeurd. Wel zijn de volgende bronnen geraadpleegd:
  • Jaarboek NETwerk, jaargang 2000 van het Visserijmuseum Vlaardingen
  • Scheveningen, Verloren gegane schepen, gebleven vissers 1914-1920 (1992) van A. van Dongen Azn.
  • De Nederlandse zeevisserij tijdens de eerste Wereldoorlog 1914-1918 van D.J. Gouda, 1978.
Mijn opa, van moederskant, Karel Kleijn en zijn zoon Arie zijn in juli 1918 met de SCH 69, Clara met de gehele bemanning op zee omgekomen. Mijn opoe Immetje Kleijn-Knoester was toen hoogzwanger. Twee maanden naar de vermissing van de SCH 69 beviel ze van een zoon die ze Karel Arie noemde. Drie maanden later overleed de baby.
Reacties: Karel Kulk Volgende >>
...terug ...home Geplaatst op 21-12-2014 en 514 keer gelezen
Like dit 204 Liked